ColumnEva Hoeke

Ik was voor één avond geen moeder, geen partner, maar mens van de wereld met een mening over alles

Ik was dronken.

Niet ladderzat maar lékker dronken, die staat van beleg waarin je lach loszit maar je hersens nog niet, althans niet helemaal, en waarin je alleen nog spreekt in absolute waarheden, uitgeserveerd in gulle gebaren en wijde armen die rakelings langs glazen scheren, die fase waarin je met veel aplomb op tafel slaat, je handen als hamers van een rechter, want nooit eerder had je de dingen zó goed in de gaten. Nog een uur of twee en de drank zou zich onbarmhartig tegen me keren, mijn woorden aan diggelen slaan voor ze er goed en wel uitkwamen, maar zover was het nu nog niet. Nu zat ik rechtop op mijn kruk, rechterop dan normaal, mijn haren lang en mijn handen warm, voor het eerst die dag, en keek alles en iedereen me glimmend en glanzend aan. De koperen stang langs het houten blad, de kerstlichtjes langs de antieke spiegel, zelfs het uitgelubberde elastiek van het bovenstukje van de serveerster straalde iets feestelijks uit. Dit was het leven, dacht ik verguld van dankbaarheid, zo was het goed, en ik hief mijn glas om voor de tienduizendste keer te proosten.

Wilt u dit artikel liever beluisteren? Hieronder vindt u de door Blendle ingesproken versie.

Ik had het meteen gevoeld toen ik die ochtend was opgestaan. Die zin in drank, die zin in zelfverlating. Het enige wat ik hoefde te doen was iemand zoeken die diezelfde avond nog met mij op boevenpad wilde, van het een naar het ander, hoe bruiner het café hoe beter en dan maar door, alle muntjes opmaken, en hoe druk ook waren die mensen in deze levensfase nooit ver weg, gek genoeg.

Het dagelijks drinken was allang uit mijn leven verdwenen. Door de komst van de kinderen had het borreluur plaatsgemaakt voor wat we inmiddels de bed-bad-broodprocedure waren gaan noemen, en dat beviel me uitstekend. Geen mist, geen kater, geen verspilling. De latente schuldgevoelens die ik toch al had ten aanzien van de opdoffers die mijn 16-jarig brein te verduren had gekregen in de lokale sneuvelhokken vermengden zich met berouw over al die dagen die ik had verbeuzeld met katers, want drinken kost tijd, en op de vraag hoever ik nu zou zijn geweest zonder al die rotzooi dacht ik al helemaal liever niet. Nee, het leven zonder dat achteloze glas beviel me prima.

Mééstal.

Want zo nu en dan, once in a blue moon, had ik de behoefte om voor heel even te ontsnappen, voor één avond te doen alsof ik geen moeder was, geen partner, maar alleen mezelf, van mij alleen, mens van de wereld met een mening over alles, dat laatste de broodnodige bevrijding voor types die zich te zeer bewust zijn van hun eigen onvolledigheid en zichzelf zonder drank dus altijd de mond snoeren.

Nee, dan nu!

God, wat was ik leuk en wat was ik scherp en wat had ik toch een serene, mystieke uitstraling, ik zag het in de spiegel van de wc terwijl het water over mijn handen stroomde. Mijn beter ik hief nog een waarschuwend vingertje – drink dan in ieder geval een glas water tussendoor – maar ze was een figuur op de achtergrond, vaag en zonder macht, en even later ging het gesprek aan de bar gewoon weer voort, dit keer royaal de kant van de ander kiezend, nee maar dát ben ik met je eens. En terwijl de kroeg leger en leger werd en ik bij god niet meer wist hoe laat het was en we allebei mayonaise aan onze mouwen hadden en we If you don’t know me by now echt een heel mooi nummer vonden, écht, schitterend, bestelden we er nog maar een, nú kon het nog, de dag erna zou er een vol zelfbeklag zijn, én genezing, want ik drink gelukkig alleen als ik gedronken heb.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden