ColumnIonica Smeets

Ik vrees vooral de onopvallend en genadeloos doorsluipende tijd

Misschien heb ik de laatste tijd iets te veel Leonard Cohen geluisterd of iets te veel Margaret Atwood gelezen, maar als ik denk aan het komende decennium, dan denk ik vooral aan alle mensen die de komende tien jaar zullen overlijden. Het is niet dat ik bang ben voor het einde der tijden (al durf ik een totale apocalyps ook niet helemaal te sluiten). Nee, ik vrees vooral de onopvallend en genadeloos doorsluipende tijd en de onvermijdelijke dood die uiteindelijk volgt. Het is heel simpel: in 2030 ben je óf tien jaar ouder dan nu, óf je bent er niet meer.

Mijn eigen kansen voor de komende tien jaar blijken nog best aardig. Ik ben 40 en volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek is de kans 98,8 procent dat ik 2030 ga halen (voor mannen van dezelfde leeftijd is die kans overigens 98,4 procent.) Niet slecht, maar dat betekent toch dat één op de honderd mensen van mijn generatie er niet meer zal zijn over tien jaar. Of anders rekenend: bij een vriendenkring van vijftig veertigers is de kans meer dan 50 procent dat je in 2030 niet meer compleet bent.

De kansen van mijn ouders durf ik niet eens op te zoeken. Ik heb nu het geluk dat ze er nog allemaal zijn: twee ouders, twee stiefouders en twee schoonouders. Zijn zij er nog over tien jaar? Ik hoop het zo, maar ik durf er niet op te rekenen. De generaties schuiven onverbiddelijk door en vrienden verliezen één voor één hun ouders. Je weet dat het onvermijdelijk is.

Gelukkig is er ook troost in de nieuwe generatie die eraan komt. Mijn eigen kinderen worden langzaam groot. Als alles goed gaat, zal mijn zoon in 2030 volwassen zijn. En mijn dochter zal als puber tegen die tijd ook denken dat ze volwassen is. Hopelijk ga ik meemaken hoe zij en hun vrienden overgaan van spelletjes spelen naar serieuze beslissingen nemen.

Op de eeuwenoude Leidse universiteit waar ik werk, blijven de nieuwe studenten die binnenkomen onverminderd jong. Ook in 2030 zal een lading frisse 18-jarigen beginnen die alles anders wil doen dan de generaties voor hen. Dat is toch troostrijk (net als de student die me deze week vroeg of ik niet een beetje te jong was om een column als deze te schrijven).

Kortom: het komende decennium zullen de seconden net zo doortikken als altijd. ‘De seizoenen komen terug. De jaren niet’, zoals Ivo de Wijs het eens zo mooi omschreef. Juist daarom zal ik elke nieuwe lente genieten van de lammeren in de wei en de knoppen die op barsten staan. En dan zal ik het lied zingen van de onvolprezen Maarten van Roozendaal, die in 2013 overleed:

En nu de wingerd zich wellustig

En het onkruid onbezonnen

En ik mezelf aftel

Van volwassen naar bejaard

Wordt het groener dan het groen was

Nu ik grijzer dan ik grijs ben

Ach ik ben Goddank

Dus nog een keer

Een jonge lente waard

Mooi

Het is om te janken zo mooi

Mooi, om te janken zo mooi

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden