Column Peter Buwalda

Ik vertelde maar niet waar ik het Bifiworsten-
mannetje had leren kennen

Een tijdje geleden kwam ik in de supermarkt een oude bekende tegen, namelijk het Bifiworstenmannetje. We gingen meteen op de foto. Nou ja, na enig aandringen bij Jet, want zij eet geen vlees en voor haar is het Bifiworstenmannetje de baarlijke duivel, mag je wel zeggen. Ze had hem liever neergeslagen.

Heel smakelijk zag het mannetje er niet uit, geef ik toe. Hij is half worst, half mens, zij het niet zoals de kleine zeemeermin, wat nog wel een lekker ding is. Het Bifiworstenmannetje is over de hele linie worst gebleven, maar heeft wel puilogen, een mond vol tanden en iele worstbeentjes die verdwijnen in lompe veterschoenen. Zijn romp bestaat uit een display waarin Bifiworstjes liggen.

‘Het is een kannibaal’, zei Jet.

We liepen door, op naar de groente en fruit, waar ik tegenwoordig veel tijd doorbreng, valt me op. We praatten na over mijn oude kennis. Eigenlijk was het een naar ventje, vonden we allebei. Er zat een oetlullig reclamebureau achter, je moest anno 2019 over bedenkelijke humor beschikken om zo’n griezel te ontwerpen. ‘Heb je zijn oogleden gezien’, vroeg Jet, ‘die waren ook van worst.’

Van alle soorten vlees, mijmerde ik nog wat voort, was het Bifiworstje misschien de verachtelijkste. Die uniforme, voorverpakte, op industriële schaal geproduceerde snackworstjes, die je opvrat uit balorigheid, eigenlijk altijd tussen de bedrijven door, in een sportkantine, of op het station – in het licht van de bio-industrie waren het misdadige units. Dat mannetje was een soort vlees-Himmler, begon ik nu toch ook te vinden.

‘Het is een mooi iets’, zei ik vol zelfontroering.

‘Wat?’

‘Nou, dat we er tegenwoordig zo tegenaan kijken.’

‘Waartegen?’

‘Tegen het Bifiworstje.’

‘At je die dingen vroeger wel, dan?’

‘Soms’, zei ik en vertelde maar niet waar ik het Bifiworstenmannetje had leren kennen.

In bed. Maar niet op die manier. Nee, in onrustige dromen. Ik studeerde nog en was met Reijmerink, mijn jaarclubg’noot, naar de kroeg gegaan. Van onze gesprekken herinner ik me geen woord, maar helder staat me bij dat we om de tien minuten een Bifiworstje bestelden, ik denk vanaf een uurtje of negen tot in de vroege ochtend. Op een gegeven moment waren ze los, uitverkocht, in het hele gebouw geen Bifiworstje meer te vinden.

Hoeveel Bifi’s zaten in onze buikjes? Ik denk wel dertig.

Buiten namen we afscheid, waaraan mij niks vreemds opgevallen is, maar de man met de hond zag waarschijnlijk twee aangeklede Bifiworsten. Die nacht droomde ik van een gezellige barbecue met zeker dertig gasten, stuk voor stuk Bifiworsten­mannetjes. De droom was zo realistisch, dat ik op goed moment de barbecuesmaak in mijn mond had staan. Ik schrok wakker, in de zekerheid te zijn veranderd in een Bifiworst, maar het was erger: ik had overgegeven. Alles zat onder de gefermenteerde E-nummers en emulgatoren: mijn kussen, mijn slaapshirtje, beddengoed, zelfs de muur.

Maar ach, na regen komt de vuilnisophaaldienst. Buiten hoorde ik de wagen, wat me deed besluiten de spulletjes in mijn molton te gooien en in mijn boxer de straat op te vliegen. Ik moest een flink stuk sprinten, maar juist daarom ontwikkelde ik genoeg vaart om de hele flikkerse knapzak met een fraaie boog die wagen in te krijgen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.