Paulien Cornelissein 150 woorden

Ik twijfelde of ik het muntje moest oppakken, twintig cent zet geen zoden aan de dijk

Tijdens een avondwandeling, de zon laag en het licht oranje, zag ik ineens een mooi blinkend muntje op straat. Het was een twintig centstuk, waar we nog steeds geen naam voor hebben. Je zou het, in analogie met het kwartje, een kwintje kunnen noemen, maar dat zou geforceerd zijn, en tegen de tijd dat zo’n woord is ingeburgerd, is al het fysieke geld toch al afgeschaft.

Ik twijfelde of ik het muntje moest oppakken, twintig cent zet geen zoden aan de dijk. Aan de andere kant, als alles in elkaar zou storten, zou ik later nog met smart terugdenken aan dit geldstuk: hoe hoogmoedig was ik toen geweest!

Ik bukte om de munt te pakken – muurvast aan de grond gelijmd. Ik keek om mij heen, misschien stond er iemand vol coronaverveling te gniffelen om al die mensen die bukten voor twintig cent. Ik zag niemand. Misschien zat dat muntje er al jaren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden