Column Sylvia Witteman

Ik kon niets anders meer doen dan hopen

Ik zat in het park te wachten op nieuws van mijn oudste zoon. Met veel vijven en zessen heeft hij het allengs tot de tweede, derde en vierde klas geschopt; nu was het maar afwachten of hij genoeg ­zessen had voor de vijfde. Het spande er vreselijk om en het wachten kon nog wel uren duren. Een religie zou op zo’n moment erg troostrijk zijn, maar welke?

Ik heb altijd een zwak gehad voor Ganesha, de hindoegod met het goedhartige olifanten­gezicht, steevast afgebeeld in feestelijke snoepjeskleuren. Het probleem is alleen dat ik verder geen benul heb van het hindoeïsme en dus ook niet weet hoe ik Ganesha zou moeten aan­spreken. Ik bedoel, voor je het weet zeg je iets ­verkeerds en dan ga je Hem maar op de zenuwen werken, met averechts effect.

Met het jodendom en de islam kan ik ook al niks, ze zien me aankomen, die spijswetten ­alleen al overtreed ik dagelijks. Het christendom dan? Zelf ben ik 52 jaar geleden katholiek ­gedoopt en er valt ook wel wat voor dat geloof te zeggen. Want je kunt het op aarde heel bont ­maken, op je sterfbed ‘sorry voor alles’ mompelen en hopla, daar kom je alsnog voor Gods aangezicht, wat heel leuk schijnt te zijn. Bovendien hebben katholieken voor elk wissewasje een ­eigen patroonheilige, zodat je je gebedspijlen heel specifiek kunt richten, net zoals er voor elke vlek bij de drogist een aparte ‘vlekkentovenaar’ te koop is.

Thomas van Aquino moest ik hebben, bedacht ik, want hij is de patroonheilige van studenten. Alleen, was het niet een tikje hoogmoedig om mijn zoon tot ‘student’ te bestempelen? Hij is eerder een anti-student. Misschien kon ik me ­beter tóch gewoon maar tot Maria wenden. Zij had tenslotte zelf ook heel wat te stellen gehad met Haar zoon.

‘Wees gegroet Maria, vol van genade’, begon ik, maar toen bedacht ik dat het wel heel brutaal was om te gaan zitten bidden voor een lullige zes voor scheikunde, tegen een vrouw die haar kind gekruisigd heeft zien worden.

Wat te doen? Opeens viel mijn oog op een grote, zwarte kraai op de rand van een drink­fonteintje. Hij had een stuk brood in zijn snavel en doopte dat in het water. Drie, vier, vijf keer deed hij dat, telkens keurend met zijn snavel of het brood al zacht was geworden. Toen het zo ver was, wierp het schrandere dier zijn kopje naar achteren en slikte het brood door. Nog nooit had ik zoiets gezien.

Mijn hart sprong op. Dat brood, dat water, die kraai; geen twijfel, ik had hier een consecratie bijgewoond.

Nu kon ik niets anders meer doen dan hopen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.