Ik koester de troep die iets betekent zolang we nog leven

In NRC stond afgelopen maandag een interview met de Zweedse kunstenares Margareta Magnusson (82). Zij schreef een boek over opruimen voor je doodgaat, zodat je dierbaren niet met de troep achterblijven. Döstädning noemen ze dat in Zweden. Magnusson adviseert om op je 65ste langzaamaan te gaan beginnen met döstädning. Dat zou betekenen dat zij zelf al zeventien jaar bezig is om 'op te ruimen voor ze doodgaat'. Welbeschouwd is al het opruimen wat we doen natuurlijk een opruimen voor we doodgaan.

Ik herinner me het huis van de moeder van een vriendin na haar dood. Haar moeder was nog niet gepensioneerd en ze stierf onverwacht bij een auto-ongeluk. Met vrienden aten we pizza in haar keuken na de begrafenis. We rookten netjes niet in huis want dat had die moeder nooit gewild. We veegden onze voeten als we naarbinnen liepen, terwijl die vloerbedekking toch wegging. Met de theepot in mijn handen dacht ik dat ik die net zo goed kapot kon laten vallen, wie zou het deren? Met de eigenaar waren de spullen hun bezieling verloren. Ik keek rond in haar huis en dacht aan haar kinderen, die de komende weken alles moesten opruimen.

Ik was nog jong en dacht daarna niet dat ik ook maar eens wat moest opruimen, ik dacht wel dat ik het was, die al mijn spullen betekenis gaf en keek met nog meer liefde naar ze. Ik ben nu nog steeds jong en zelfs volgens de döstädning-specialist hoef ik nog niet te beginnen aan de grote opruiming. Tot aan mijn 65ste moet ik waarschijnlijk Marie Kondo lezen, net als miljoenen andere mensen die haar adviezen opvolgen over hoe je orde en rust in je leven brengt door op te ruimen. Dan kan ik op mijn 65ste heel gemakkelijk overstappen op döstädning en heb ik net als Margareta Magnusson op mijn 82ste nog twee jurken, vijf sjaals, een jasje en drie paar schoenen.

Mijn oude schoonvader zei in de laatste jaren van zijn leven tegen het bezoek: 'Kijk maar rond wat je wil hebben, ik kan het toch niet meenemen.' En wat hem betrof haalden we de kopjes uit de kast en trokken we de stoel onder zijn kont vandaan. Nooit heb ik daar veel plezier aan beleefd. En of hij daar wel plezier aan had, ik betwijfel het. Ik zag hem altijd meer opleven als hij weer eens een nieuw apparaat had aangeschaft dat hij niet nodig had, dat was nou eenmaal een van zijn levensvreugdes, net als het kopen van schoenen bij de Makro, die hij nooit droeg. Met plezier herinner ik me zijn schoenen, meer dan zijn opruimen.

Misschien moet ik eens een boek schrijven over het genot dat alle troep ons verschaft. De opwinding die je voelt als je een ouwe tafel van de vuilnis redt en naarbinnen sleept. Of de schoonheid van die kleine verzamelingen die ik in de jaszakken van mijn 8-jarige dochter tref. Twee glasscherven, drie keien en een stuk purschuim. Betekenis gegeven door haar bestaan. De kasten in ons huis zijn te vol en met weinig logica verdwijnen er dingen als de la echt niet meer dicht kan. Toch koester ik de troep die iets betekent zolang we er nog zijn.