Column Max Pam

Ik ken geen beeldend kunstenaar die zo helder over zijn vak kon spreken als Westerik

De door mij bewonderde schilder Co Westerik is op 94-jarige leeftijd overleden. Hij vertelde me eens dat hij van plan was zeer oud te worden en mocht het zover komen, dan hoopte hij dat zijn laatste doek een zonsondergang boven zee zou zijn. ‘Weet je eigenlijk wel hoe mooi dat is?’, vroeg hij apodictisch. Dat schilderij wilde hij bewaren voor na zijn 80ste. Zijn ambitie om oud te worden heeft hij ruimschoots verwezenlijkt, maar of hij die zonsondergang boven zee nog heeft gemaakt, weet ik niet.

Westerik stond bekend als een moeilijk benaderbare man. Samen met zijn vrouw Fenna de Vries bewoonde hij een soort vesting aan een winderig plein, zoals die alleen in Rotterdam bestaan. Geen naambordje op de deur. Je hoopte dat daarachter iemand leefde, die open zou willen doen. Was je eenmaal binnen, dan voerde een zeer steile trap omhoog naar het atelier. En bovenaan het trapgat stond hij, Westerik, een keurige man, in alle opzichten het tegendeel van de schilder als ongeschoren bohemien die tot laat in de middag een uiltje knapt om inspiratie op te doen.

In zijn lange leven heb ik Westerik driemaal uitvoerig geïnterviewd. De eerste maal toen ik een portret maakte van de oudste kunstacademie in Nederland, die in Den Haag, waar Westerik eerst leerling en later docent was. De tweede maal voor de Haagse Post en de derde maal in 1999 voor een boek dat zijn verzamelaar Frits Becht had samengesteld. Telkens bleek dat Westerik helemaal geen gesloten iezegrim was, maar een bevlogen verteller. Eigenlijk ken ik geen beeldend kunstenaar die zo helder over zijn vak kon spreken als Westerik. Hij nam zichzelf en zijn werk volkomen ernstig, maar nergens verlaagde hij zich tot het pseudo-diepzinnige gewauwel waarmee veel tijdschriften over moderne kunst vol staan. In een tijd dat de figuratieve kunst in diskrediet was geraakt, maakte die instelling hem tot een eenling die telkens moest opboksen tegen een nieuwe mode.

Uiteraard spraken wij uitgebreid over zijn beroemdste werk Snijden aan gras, dat hij al in 1966 maakte. Het amuseerde hem dat het sadistisch werd genoemd, terwijl hij het zelf ‘lieflijk’ vond. Hij zei: ‘Mensen werden er ongelukkig van. Men zei dat je niet langs een Westerik mocht lopen als je zwanger was. Verdomd, kwam voor! Poëtisch eigenlijk.’

Een reproductie van Snijden aan gras werd door de Nederlandse Spoorwegen in de treincoupés gehangen, maar er kwamen veel protesten tegen het boosaardige karakter. Reizigers begonnen verontruste brieven te schrijven. Destijds was de policy van de NS dat een werk bij meer dan honderd boze brieven uit de treinen werd gehaald en dat is ook gebeurd. Zelf was Westerik er na veertig jaar nog verbaasd over. Hij heeft eigenlijk nooit het raadsel opgelost waarom zoveel mensen kippevel krijgen bij de aanblik van een grasspriet die de huid van een vinger opensnijdt.

Typerend voor Westerik was dat hij het maken van zijn schilderijen tot in detail heeft vastgelegd in schildersdagboeken. Dat deed hij ook met Snijden aan gras en hoewel hij precies wist hoe hij het centimeter voor centimeter had geschilderd, kwam hij er maar niet achter waarom het zoveel agressie opriep. Toen het in het Palazzo Grassi in Venetië werd tentoongesteld, moesten er speciale beveiligers worden ingehuurd die onmiddellijk konden ingrijpen zodra een bezoeker over zijn toeren raakte. Waarom dit juist bij Snijden aan gras nodig was, lijkt me een mooi thema voor een essaywedstrijd.

In een necrologie las ik dat zijn oeuvre, naast al het andere, uit ruim tweehonderd olieverfschilderijen bestaat. Dan moet hij aan het eind van zijn leven nog behoorlijk geïnspireerd zijn geweest, want zijn jaarlijkse productie was niet erg groot. In 1999 zat hij op nog maar 136 schilderijen en toen ik hem vroeg op welk aantal hij ten slotte zou uitkomen, antwoordde hij: ‘Stel, dat ik tot mijn 80ste werk, drie per jaar. Dan worden het er... zeg, godverdomme, heb je nog andere vragen?’.

Dat zijn werk voornamelijk over de dood gaat, vond hij een vanzelfsprekendheid voor iemand die de Tweede Wereldoorlog bewust had meegemaakt en die in zijn latere leven een van zijn dochters zou verliezen. Hij zei: ‘Ik ben een gelukkig mens, maar ook getourmenteerd. Dat zit in het hoofd. Ik denk altijd dat ik morgen doodga. Maar ik ga nooit naar een dokter, gezegend als ik ben met een goede gezondheid. Ooit ben ik aan een blindedarmontsteking geopereerd. En aan de prostaat! Verukkeluk! Nu pis je weer als een jonge god, zeiden ze. Dat is helemaal niet waar. De dood is een vreemd land waar je binnentreedt.’

Het zou me niet verbazen als hij daar Jeroen Bosch tegenkomt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.