columnPeter Buwalda

Ik kan lang aarzelen over de aanschaf van een penguinpocket, een kerk koop ik echter zo

Lang kan ik aarzelen over de aanschaf van een ouwe Penguinpocket, maar een kerk koop ik zo. Ik zag hem op Funda, hij stond in de haven van Rotterdam. Precies de kerk die ik altijd al wilde.

Eerst mailen. Vijf minuten later nog altijd niets vernomen: bellen. Hijgend, alsof ik naar mijn iPhone was komen rennen: ‘Hallo... is-ie er nog? De kerk?’

Stilte. Een gek, hoorde je iets of iemand denken.

‘Ik ben heel erg geïnteresseerd’, zei ik niet te gretig. ‘Zijn er kapers op de kust? Moeten we komen?’

‘U kunt een afspraak maken voor een bezichtiging’, zei een makelaarsstem. ‘Dat wordt op zijn vroegst...’

‘Straks?’ Je moet nooit de indruk wekken dat je graag wilt.

‘...volgende week maandag.’

Vijf dagen? Dat kon die vent niet menen. Schiet op! Echt iedereen wilde die kerk hebben, de woonkamer leek op Paradiso, er zat een kerkorgel in. Over de graven lag beton met vloerverwarming. Overal glazen schuifdeuren. En had je dat plafond gezien?

Om wat af te koelen ging ik zitten writen, uren later had ik 130 kantjes: ‘all work and no church make Pete a dull boy/all work and no church make Pete a dull boy’ – ja, daar schrok Jet wel van. ‘Kerst bij ons’, appte ik vrienden en familie, ‘wie wil er nog een hostie?’

’s Avonds kwam Sander, mijn belastingman, bonnen ophalen, afschriften, aanmaningen. Hij en de pakketbezorger, vergeet ik nog iemand? Thuiszorg. Verder heb ik niemand nodig.

Kijk, zei ik al snel, en appte de kerk. ‘Gaan we naartoe verhuizen, alles is rond – alleen nog verhuizen.’ Ik keek hem zwetend aan. Sander swipete fronsend door zijn telefoon. Nou? Waar bleef de financiële zegen?

‘Ah’, zei hij hoofdschuddend, ‘vriend van de Nuon. Heb je al getekend?’

‘Helaas nog niet’, zei ik.

‘Dit vindt de Nuon nog mooier dan een woonboot’, zei hij. ‘Een klant van me heeft een woonboot, die stookt en die stookt, en wat denk je? De hele Keizersgracht een graadje warmer. Heb je je dak al eens goed bekeken?’

‘Hoog, hè. Mooie spantjes.’

‘Als je in die sinterklaasmuts boktor hebt’, zei Sander, ‘moet je een steiger huren. Zulke hoge steigers hebben we niet, meneer Buwalda, die moeten we speciaal laten bouwen.’

‘Bouw maar’, zei ik.

‘Ik ken een wethouder’, vervolgde mijn belastingman, ‘die heeft negen lege kerken. Voor een eurootje kun je er een krijgen. Als je maar niet over z’n voegen begint.’

‘Voegen?’

‘Voegen. Als je je voegen moet doen, ben je de klos met je kerk. Achterlijk veel voegen, man. En als je ze niet doet, komt op een dag je toren naar beneden.’

Ik zweeg.

Sander schudde nog steeds zijn hoofd. ‘Vijftig ruggen per jaar’, zei hij, ‘alleen al aan onderhoud.’ Hij keek naar de boekenkasten. ‘Heb je kaas?’

Wel nootjes. Sander bleek Elsschot te bedoelen.

‘O, Káás,’ zei ik.

Kaas, ja. Sanders favoriete boek, prachtig hoe zo’n Belg kapotging aan de kaas. Samen dachten we hoofdschuddend aan Laarmans.

Maar Sander wist dus nog wel een titel voor mijn nieuwe boek.

Ik dacht even na. ‘Kerk?’, vroeg ik.

‘Kerk, ja’, zei hij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden