Ik kan al lang niet meer vertellen waarom we nou steeds zo beledigd waren dat we de straat op gingen

Over de folklore van demonstreren en het wantrouwen van autoriteit

Begin jaren negentig studeerde ik in Nijmegen. In Nijmegen werd van oudsher veel gedemonstreerd. Als er ergens anders in het land een studentendemonstratie was, kwamen er bussenvol studenten uit Nijmegen. Ik heb gedemonstreerd tegen de komst van de ov-jaarkaart. Ik heb ook gedemonstreerd tegen de afschaffing van de ov-jaarkaart. Ik heb gedemonstreerd tegen elke verandering in het beursstelsel in die jaren.

Ik kan je al lang niet meer vertellen waarom we nou steeds weer zo beledigd waren dat we zo graag de straat op gingen. Eerlijk gezegd denk ik dat het een soort folklore was, waar ik graag aan meedeed. Het had iets opwindends, net als op de achterste bank van de bus zitten als je 12 bent.

Als ik eens een keer geen zin had om te demonsteren, voelde ik me bezwaard. Dat ik te beroerd was om de straat op te gaan om voor onze rechten op te komen. Het was in principe altijd goed om de straat op te gaan. Wie thuis bleef, was toch een verrader, een slappeling. Je moest je verzetten, waartegen deed er niet zoveel toe.

Toen ik jaren later in Utrecht studeerde en erg gelukkig was met mijn studie, vonden mijn medestudenten me nogal braaf. Ik kwam graag op tijd, ik vond de lessen interessant, en deed alles wat mijn docenten me opdroegen. Een medestudent zei me dat het door mijn leeftijd kwam, ik was een van de jongsten, maar ik zou toch echt moeten leren om mijn eigen plan te trekken, om me wat meer te verzetten. Wie zich verzet, gaat zijn eigen weg, dat was het idee. Maar ik vond de lessen interessant, en ik hield ervan om me uit elke opdracht te redden, om te slagen.

Er waren ook docenten bij wie ik zag dat ze de brave studenten niet zo interessant vonden. Als er een nieuwe docent was, en ik zat vooraan blij te wezen en enthousiast mee te doen, werd ik meestal genegeerd. Ook docenten waren gevoelig voor die kritische studenten achter in het lokaal die overal wat op aan te merken hadden, daar gebeurde iets interessants! De kritische geest imponeert meer dan de enthousiasteling.

Op de lagere school hadden we eens een project over pesten, een van de eersten denk ik. Er was een gastleraar die met ons over pesten sprak, we luisterden braaf en beaamden dat pesten niet mocht. We maakten stripverhalen met moralistische boodschappen. Op het schoolplein trokken we ons eigen plan. Tegen het einde van het project ging de leraar ons specifiekere vragen stellen.

‘Wordt er hier in de klas ook gepest?’

In plaats van de gelederen gesloten te houden tegenover de autoriteit was ik zo stom om hier serieus over na te denken, en ik zei: ‘Ik geloof dat wij op dit moment Karina pesten.’

Karina beaamde dit. De leraar was blij dat ik erover sprak.

Maar ik herinner me vooral hoe boos mijn medepestende vriendin was: ‘Dat ga je toch niet zeggen!’ Ik was daar echt van in de war. In de klas was ik ervan overtuigd dat ik het juiste had gedaan, op het schoolplein bleek dat ik verraad had gepleegd. Ik had haar natuurlijk mee gesleurd in mijn bekentenis, dat was niet zo handig.

Maar ook denk ik dat er een autoriteit is, en dat die autoriteit in principe verdacht is, die moet je niet te veel vertrouwen. Iedereen die zich verzet tegen die autoriteit of die autoriteit ontkent, denkt dat-ie goed bezig is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.