Ik heb heel lang geen oog gehad voor de worstelende mens

In mijn jeugd was alles zeer overzichtelijk. Je had klootzakken en je had Amsterdammers. Ik was een Amsterdammer, dus geen klootzak. Dat voelde lekker. Ik lag in bed, luisterde naar de radio en als iemand zich dan voorstelde als Hans uit Ootmarsum, dan wist je: dat is een klootzak. Meestal klopte dat dan ook wel. Ging zo een Hans uitleggen dat er iets met een weiland was en hoog water en dat het een project van jaren werd, dan dacht ik: klootzak.

Het kan bijna niet anders of ik heb dit van mijn ouders geleerd. Vaak kwamen er mensen op visite. Vanuit mijn bed hoorde ik het steeds gezelliger worden, ik rook om half 1 ’s nachts frituurvet en daarna, diep in de nacht, werd ik wakker als de visite naar huis ging. Ik hoorde de buitendeur dichtvallen en daarna riep mijn vader vanuit het halletje: zij valt wel mee, maar hij is een klootzak.

Het was heel duidelijk allemaal. Als we in een vakantiehuisje zaten op Texel, dan werden we omringd door klootzakken. Als je op het strand stond, kon je de klootzakken in Den Helder zien. Niet veel later, toen ik ging studeren, kwam het allemaal nog goed. Studenten uit de rest van het land vonden mij een klootzak, omdat ik uit Amsterdam kwam. En ze hadden gelijk. Je hoeft maar één keer ergens in het buitenland met een Amsterdammer op een terras te hebben gezeten en je weet genoeg.

Met die klootzakken uit de provincie heb ik alles uitgepraat, maar waar ik nu enorme spijt van heb, is dat ik mensen met een psychisch gebrek ook lange tijd als klootzakken heb gezien. Het klinkt misschien raar, maar bij ons in de familie bestond er helemaal niet zoiets als een fobie. Straatvrees, we kenden het woord niet eens. Het was gewoon heel duidelijk: als je de straat niet op durfde, was je een klootzak. Amsterdammers, die gingen juist graag de straat op.

Dat vind ik nu zo erg, dat ik heel lang geen oog heb gehad voor de worstelende mens. Ik wist niet dat ze bestonden. Mensen die tijdens een verjaardag veel te hard een verhaal zaten te vertellen en dan opeens begonnen te huilen, daar keek ik niet van op. Klootzakken. Nu denk ik: die mensen hadden allemaal problemen, ze waren aan het vechten met een demon uit het verleden of ze kwamen net terug uit een oorlog, maar ik dacht: die klootzak zit met zijn pisvingers in onze pinda’s.

Ik ben lange tijd iemand geweest die, bij wijze van spreken, vlak voor een psychiatrische inrichting heel hard stond te schreeuwen dat ze ALLEMAAL EVEN NORMAAL MOESTEN DOEN. Ik heb lange tijd te weinig oog gehad voor de gemankeerde mens. Ik wil iedereen met een bipolaire stoornis mijn excuses aanbieden. Ik wist niet dat het bestond. Sorry dat ik je een klootzak vond.

Ik zit nu met een heel ander probleem: er blijven zo weinig echte klootzakken over. Steeds als ik denk dat ik er een te pakken heb, Holleeder bijvoorbeeld, dan hebben ze hartproblemen en geven ze cadeaus aan geestelijk gehandicapte kinderen. Mijn leven is rijker geworden. Ik kijk frisser in het rond. In iedere klootzak zie ik nu het sluimerende gebrek, maar eerlijk is eerlijk, ik mis ze soms ook, de echte klootzakken. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.