Column Esther Gerritsen

Ik heb een redelijke obsessie met het begrip schuld

Het bedrag dat Nederlandse ziekenhuizen kwijt zijn aan schadeclaims na medische fouten is in tien jaar bijna vervijfvoudigd. Het komt door de toegenomen zorgvraag, en verder zijn de uitkeringen hoger geworden. De angst voor ‘Amerikaanse toestanden’ schijnt vooralsnog ongegrond te zijn.

Ik heb een redelijke obsessie met het begrip schuld, en benijd de artsen niet die de levens van patiënten in hun handen krijgen gelegd.

Als ik lees dat er een bus met kinderen een ravijn is ingereden door de schuld van de chauffeur, hoop ik altijd dat de chauffeur is omgekomen. Niet omdat ik die chauffeur dood wens, maar omdat ik me kan voorstellen hoe zwaar het is om met die schuld te leven. Op minder ernstig vlak: Een voetballer die een eigen doelpunt scoort, en ik word fysiek onpasselijk. Ik vraag me af of hij zal slapen vannacht. Ik leef snel mee met De Schuldige. Terwijl de slachtoffers misschien meer medeleven verdienen, maar de schuld trekt me nu eenmaal aan.

In mijn naaste omgeving tel ik al één verloren arm, één verloren duim, een paar vernielde ruggenwervels, een verdwenen milt, chronische hoofdpijn, een paar versleten darmen, en een scheve voet, zaken die allemaal zijn terug te voeren naar menselijk falen. Naar verantwoordelijkheid. Naar schuld?

Als ik een arm moet verliezen door de fout van een mens, dan graag een fout door een Amerikaan. Want als we dan toch doen alsof menselijk lijden goedgemaakt kan worden met geld, geef me dan ook echt een berg geld. Ja, dan wil ik graag ‘Amerikaanse Toestanden’.

De autobiografie van Roald Dahl begint in Noorwegen in 1877 als zijn vader als 14-jarige jongen van het dak valt en zijn linkerarm breekt onder de elleboog. Er wordt snel een dokter gehaald. Die dokter komt, maar is zo dronken dat hij de gebroken elleboog voor een ontwrichte schouder aanziet. Met drie man rukken ze aan de gebroken arm en de jongen schreeuwt het uit van de pijn.

Zijn moeder roept nog: ‘Stop’, maar het is al te laat . Een botsplinter steekt door de huid van zijn bovenarm. Wat valt er nog te doen aan de gehavende arm in Noorwegen in 1877? De arm wordt geamputeerd bij de elleboog.

Roald Dahl vervolgt zijn gruwelijke verhaal smeuïg en grappig, en vertelt wat zijn vader allemaal kon met maar één arm. Veters strikken kon hij als geen ander en zijn vork had hij aan de zijkant geslepen als mes, een instrument dat hij overal met zich meedroeg, in een etuitje in zijn zak.

Zijn vader zei dat er maar een groot nadeel was: Het was onmogelijk het kapje van een gekookt eitje af te slaan.

Er was zeker nog geen sprake van Amerikaanse toestanden, dus vader Dahl werd niet rijk dankzij de dokter. Hoe het met de dokter afliep, vertelt het verhaal niet.

Mocht ik ooit een arm verliezen dan hoop ik toch maar dat het door een lullige bacterie komt zodat ik niet verteerd word door woede op die ene schuldige, of misschien nog zieker: door medelijden, en door het afschuwelijke besef dat het voorkomen had kunnen worden. Liever zou ik God vervloeken, toch ook gewoon een dronken dokter zonder aansprakelijkheidsverzekering.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.