Ik ben strijdlustig, maar in de strijd tegen longkanker valt niets te winnen

In een nieuwe column schrijft Chris Oostdam (62), rechter in Assen, wekelijks op woensdag, over haar leven sinds ze terminaal longkankerpatiënt is.

Beeld Nouch Amsterdam

Begin dit jaar kreeg Chris Oostdam (62), rechter in Drenthe, de diagnose longkanker, met uitzaaiingen naar onder andere het hart. De prognose die ze wat betreft haar levensverwachting te horen krijgt: gemiddeld negen maanden, 'al zeggen gemiddelden niet zoveel'. Onder de titel Mijn laatste tijd schrijft ze elke woensdag in de Volkskrant over wat er dan allemaal op je afkomt, psychisch, praktisch, emotioneel en sociaal.

Vandaag de eerste twee afleveringen.


Slecht nieuws

Wat zegt die man nou toch allemaal? Ik kijk opzij, naar Ronald. Die kijkt mij niet aan, maar knijpt in mijn hand. 'Begrijp ik u goed', zegt hij met een strak, wit gezicht, 'dat Chris longkanker heeft, die is uitgezaaid naar haar hart, en dat daar niets aan te doen is?'

'Ja', zegt de longarts, 'dat heeft u goed begrepen. Het staat nu vast dat het om longkanker gaat en doordat het is uitgezaaid naar het hart, is het inoperabel. Ook bestraling is niet mogelijk. Het oppervlak is te groot en het zit op een plek waar niet bestraald kan worden zonder ook het beenmerg te raken. En dat overleeft u niet. Het enige wat we kunnen doen is proberen de groei zo veel mogelijk te vertragen met medicatie. Maar tenzij u alsnog onder een vrachtwagen terecht komt, is dit waar u dood aan gaat.'

'Hoe lang nog?', vraagt Ronald.

'Dat is moeilijk te zeggen', zegt de arts, 'gemiddeld gaat het om negen maanden, na het stellen van de diagnose. Maar gemiddelden zeggen niet zoveel. Veel hangt af van de aard van de kanker, hoelang die er al zit en hoe hij zich ontwikkelt. Dat zijn we nog aan het onderzoeken. Pas als we dat weten, kunnen we het beste plan van behandelen opstellen. En dan is het natuurlijk ook nog de vraag hoe u op die behandeling reageert. Ook daar valt nu nog niets over te zeggen.'

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik geloof het niet. Dit kan toch niet over mij gaan?

Drie uur eerder hadden we een gesprek met de cardioloog en die vertelde dat er kwaadaardige cellen waren aangetroffen in het vocht dat uit mijn hartzakje was gehaald. Veel details waren er toen nog niet. 'Kwaadaardige cellen?', vroeg ik nog, naïef. 'U bedoelt kanker?'

Later evalueerden we het gesprek met z'n tweeën. Joh, kanker, zeiden we tegen elkaar, dat is tegenwoordig geen doodvonnis meer. Daar slaan we ons wel doorheen. Geschrokken van het onverwachte slechte nieuws, maar vol optimisme. En nu dit.

's Nachts lig ik te staren naar het plafond. Ondanks alles heb ik toch een paar uur geslapen, maar nu ben ik klaarwakker. Ik kijk op de klok: vijf uur. Anders zouden we nu zo zachtjes aan vertrekken naar Schiphol, voor onze traditionele zon-in-de-wintervakantie. Niet dit jaar; de vakantie is geannuleerd. Misschien gaan we wel nooit meer.

Mijn gedachten buitelen over elkaar heen. Hoe moet dat nou allemaal? Hoe zit het met mijn pensioen? Als ambtenaar ging ik er altijd van uit dat dat wel goed zou zitten, maar echt weten doe ik het niet. En het huis, wat is dat waard? Moeten we die hele verbouwing nog wel doorzetten? We moeten langs de huisarts. Ik moet weten hoe die over euthanasie denkt, mocht het zover komen. En langs de notaris. Ik ga echt niet met zo'n achterlijke pruik op lopen, echt niet, nooit. En ik moet gaan opruimen. Ik kan anderen niet met al die foto's en boeken en theepotten opzadelen. Alles moet weg. En ik moet mensen informeren, daar zie ik erg tegenop. Het klinkt zo melodramatisch: 'Hoi, met Chris, ik ga dood'. Maar het is wel zo. Ik ga dood. Niet ooit, maar al gauw.

Aflevering 2 na afbeelding.

Wat voorafging

Half januari had ik voor het eerst sinds vijftien jaar griep. Na een paar dagen ging ik weer werken, al voelde ik me nog niet fit en bleef ik een naar hoestje houden. Ik had het druk, zat vlak voor mijn vakantie en wilde nog een aantal dingen afronden. Straks lekker twee weekjes in de zon, daar zou ik wel van opknappen.

Op een vrijdag merkte ik dat ik ontzettend kortademig was. Ik stond halverwege een trap al te hijgen als een postpaard. Ik ben 62 en geen topatleet, maar dit was bizar. Eind van de middag ging ik naar huis en kroop gelijk mijn bed in. Ik had me al half en half voorgenomen om maandag dan toch maar even bij de huisarts langs te gaan.

Zaterdagochtend voelde ik me doodziek, duizelig, zweterig. Ik lag op mijn oor en voelde mijn hartslag: extreem snel en onregelmatig. Ik maakte Ronald wakker. 'Het gaat niet goed', zei ik.

Een uur later lag ik in het ziekenhuis, op de hartbewaking. Ik had vocht in mijn hartzakje, mogelijk als gevolg van een luchtweginfectie. Plaspillen hadden onvoldoende effect; mijn hartslag bleef onregelmatig, met uitschieters naar 150, 160 als ik in een hoestbui schoot. Er werd een drain geplaatst en het vocht werd afgetapt. In totaal kwam er 650 cc uit. Nog meer medicijnen en eindelijk kwam mijn hartslag weer onder controle. Ik voelde me meteen veel beter.

We maakten grapjes over onze nieuwe zorgverzekeraar. We waren net overgestapt en hadden het eigen risico verhoogd naar 800 euro. We kwamen toch nooit aan die 385 euro en als er iets zou gebeuren, dan konden we ook wel 800 euro ophoesten. Maar om nou in februari al aan het maximum te zitten?

En toen kwam dus dat gesprek.

Woensdag 7 februari 2018, de wereld stort in. Mijn hele toekomstbeeld valt weg, alle vage en minder vage plannen die we hadden voor straks, als ik met pensioen zou zijn. Maar ook plannen voor de korte termijn. De verbouwing waarmee we zouden beginnen na de vakantie. Ik moet ineens in maanden gaan rekenen, in plaats van in jaren.

Ik wil alleen nog maar naar huis. Morgen nog een echo om te zien of het vocht niet is teruggekomen. Als dat goed is, mag ik weg. Over twee weken horen we wat de uitkomsten zijn van de onderzoeken, en wat ze verder met me van plan zijn. Kom maar op met die chemo, denk ik bij mezelf. De gemiddeld negen maanden waarover de arts sprak, zijn tussen Ronald en mij zonder enige rationele onderbouwing al geworden tot minimaal negen maanden. Ik ben strijdlustig, maar er valt niets te winnen.

De volgende dag mag ik naar huis. We gaan boodschappen doen. Ik vind het heerlijk om weer buiten te zijn, maar het is me snel te veel en te druk. Ronald staat bij de kassa, er is iets met een verpakking. Hij ziet dat ik moe ben. 'Haal jij alvast shag bij de servicebalie', zegt hij. Ik zeg niets en pak zijn pas aan. Later geef ik de pas terug en zijn pakje shag. 'Vind je het niet idioot dat ik, als terminaal longkankerpatiënt, voor jou shag ben gaan kopen?' Hij kijkt schuldbewust. 'Ik ga echt wel weer stoppen', zegt hij, 'maar nu trek ik dat niet'. Ik snap het nog ook.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden