Column Arthur van Amerongen

Ik ben dol op roomse poppenkast maar heb gegronde twijfel over het nut ervan

In mijn vorige column beloofde ik de Via Algarviana te gaan wandelen als boetedoening voor het schofferen van een lezer. Dat is een eeuwenoude pelgrimsroute van 300 kilometer door een ongenaakbare woestenij. Als het me bevalt, kruip ik op mijn knieën verder naar Fatima en hobbel ik via Santiago de Compostella op het tandvlees door naar Lourdes.

Ik ben dol op roomse poppenkast maar heb gegronde twijfel over het nut ervan. Zo kende ik iemand die de pelgrimsweg naar Santiago de Compostella wilde lopen. Hij had een nare ziekte onder de leden en meer vertrouwen in zijn opperwezen dan in de medische wetenschap. Het Pieterpad pikte hij mee als opwarmer. De vrome kloot haalde niet eens de Pietersberg, want nabij Sittard werd hij geplet door een Poolse vrachtwagen.

Verder ken ik de nodige idioten die naar Santiago willen wandelen om van het roken en het drinken af te komen. Dat besluiten ze meestal om twee uur ’s nachts in de kroeg.

En dan is er nog die bedevaart zonder God: het legioen fietsers, hardlopers, nordic walkers en rolstoellers dat de Mont Ventoux wil bedwingen in het kader van de actie Groot verzet tegen Kanker.

Ik raak tijdens mijn groot verzetje in het beste geval mijn vleesschort kwijt.

Vandaag is het zover. Ik zie er aanstootgevend uit in mijn gloednieuwe wandeloutfit. Als dat maar goed gaat onderweg, met die bronstige keuterboertjes in de negorij.

Straks eindig ik als dat dikkertje in Deliverance: ‘he got a real pretty mouth, ain’t he? Hey, boy. Get up and give me a ride. Come on, piggy, come on. I bet you can squeal.’

De eerste etappe begint in Alcoutim, aan de Guadiana-rivier. Over dat slaapverwekkende voormalige smokkelaarsnest schreef ik al uitvoerig dus dat hoeft gelukkig niet meer.

Door complicaties met het openbaar vervoer ben ik te laat begonnen. Het is moordend heet. Onderweg kom ik niemand tegen. Zelfs geen vreselijke vogelaars. De mij beloofde havikarend, rosse waaierstaart, wielewaal, roodstuitzwaluw en otter zie ik ook niet.

Meer dood dan levend sta ik na twee uur voor de menhirs van Lavajo. Twee omheinde steenklompen die vijfduizend jaar oud zijn. Niks voor de column, noteer ik.

In het gehucht Afonso Vicente bons ik op alle deuren voor water. Ik vermoed dat de cholera én de pest hier zijn uitgebroken, want er is geen enkel teken van leven.

Nog drie uur naar Balurcos. De hillbillygangbang kan ik op mijn buik schrijven.

Wat een narigheid om de lezer te paaien.

Foto Gabriel Kousbroek
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.