ColumnDirk Poetst

Ik aai de hond over z’n kop en zeg iets tegen hem. Hij geeft geen sjoege. Wel voel ik zijn ogen in mijn rug

null Beeld Annabel Miedema
Beeld Annabel Miedema

De laatste tijd staat mijn agenda propvol afspraken. Soms heb ik er zelfs twee op een dag. Met daartussen een half uur tot een uur om wat te lunchen.

Op een van die drukke dagen maak ik een domme inschattingsfout. Ik rijd, na een vermoeiende schoonmaaksessie, snel nog even langs mijn slager. Het giet, en ik heb het, ondanks de kou, bloedheet in mijn regenpak. Er staat een lange rij, met als gevolg dat ik uiteindelijk moet racen om op tijd bij mijn afspraak te komen. Noodgedwongen lunch ik op de fiets.

Als ik een half uur later bij mijn nieuwe cliënt verwoed de woonkamer sta te zuigen wordt het me plotseling zwart voor de ogen. Het zweet druipt van mijn voorhoofd, en mijn T-shirt plakt aan alle kanten.

Ik plof neer op de bank.

Niet zo raar, meneer woont ruim, en zijn stofzuiger stamt uit de vorige eeuw. Bovendien ontbreekt er een wiel en staat de thermostaat in de kamer op 22 graden. En dan is er nog dat belachelijk hoge werktempo van mij.

Niettemin vraag ik me voor het eerst serieus af of ik niet te oud ben voor dit werk. In de praktijk ben ik de laatste tijd vooral schoonmaker. Boodschappen doen is er niet bij, laat staan begeleiding. Het intermenselijke contact waarom het mij in eerste instantie te doen was, is tot een minimum beperkt.

Ik staar een poosje voor me uit.

Naast mij op de bank, op zijn vaste plek, ligt de aanleiding voor mijn hevige inspanningen: de hond. Hij haart vreselijk, het hele huis zit onder.

Bij binnenkomst was het mij opgevallen dat het beest gewoon bleef liggen. Een beleefdheidskwispel of waarschuwende blaf had er niet af gekund. Stoïcijns had hij mij gadegeslagen. Ik aai de hond over z’n kop en zeg iets tegen hem. Hij geeft geen sjoege. Wel voel ik, als ik me heb herpakt en de rest van de kamer zuig, zijn ogen in mijn rug.

Thuisgekomen gaat de telefoon. Het is mijn nieuwe cliënt.

Of ik er komende dinsdag écht om 11 uur zal zijn. Dan kan ik namelijk de hond uitlaten.

Ik verzeker hem dat ik altijd stipt op tijd ben, en verheug me al op een wandeling met de enigmatische viervoeter.

Ook die dinsdag schenkt de hond mij als ik binnenkom geen enkele aandacht.

Ik vraag mijn cliënt of er een vaste route is.

‘Niet echt. Je zult het wel merken.’

Mij staat een fikse wandeling voor ogen, maar mijn gezelschap denkt daar anders over.

Hij negeert hooghartig alle soortgenoten op zijn pad, en leidt mij regelrecht naar een rustig plekje in de buurt, langs de waterkant. Daar doet hij zijn behoefte. Die is gelukkig van een stevige consistentie. Dat was, lang geleden, met de yorkshireterriër van mijn ouders, weleens anders. De details van mijn geworstel met het plastic zakje heb ik verdrongen.

Ik wil verder langs het water. De hond houdt het echter voor gezien. Tien minuten later sta ik wederom de woonkamer te zuigen. Wel ligt mijn tempo ditmaal beduidend lager, bewust.

Opnieuw voel ik de ogen van de hond in mijn rug. Als ik me omdraai en zijn blik vang lijkt het even alsof hij me goedkeurend toeknikt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden