essay natuur

Iedereen is gebaat bij mooiere natuur in Nederland

Beeld Zeloot

Schoonheid is vaak geen argument bij de invulling van het Nederlandse landschap. Dat is vreemd, vindt Caspar Janssen, want wie kiest er nu bewust voor om te leven in een lelijk land? 

In de vroege zomer van 2017, in het eerste jaar van mijn voettocht door Nederland, liep ik het erf op van de graasboerderij van Sierd Deinum en Joke Ensing in Gaasterland, Friesland. Sierd en Joke zaten er ontspannen bij, ze droegen fietskleding, we dronken koffie op het erf. Het is dan ook helemaal niet zo moeilijk, zei Sierd. ‘De koeien doen het werk. Ze eten buiten het gras op, laten de mest achter en brengen de melk naar binnen. Dat is de essentie.’

Hun bedrijf is op die logica gestoeld. Koeien eten van nature gras, het liefst kruidenrijk gras, dat vinden ze het lekkerst, en dat is gezond. Tachtig koeien hebben Sierd en Joke, voor tachtig koeien is er gras, wat je noemt een sluitende kringloop. De koeien lopen negen maanden per jaar buiten.

De problemen beginnen, zo zei Sierd, als je de opbrengsten kunstmatig gaat verhogen. Met meer koeien, met één snelgroeiende, eiwitrijke grassoort, met kunstmest, met krachtvoer, met granen, soja, maïs – allemaal elementen die je van buiten inbrengt. Dat veroorzaakt het mestprobleem, de fosfaat- en ammoniakproblemen in Nederland.

Nee, Sierd Deinum wilde niet preken, maar het was natuurlijk wel zo: als iedereen zou boeren zoals zij dan was er helemaal geen probleem. Dan had je weliswaar minder maar meer dan genoeg melk, gezonde koeien, gezonde boeren, een gezonde bodem, volop weidevogels en een prachtig landschap.

Ik keek om me heen en het klopte. Het was een verademing, na weken lopen door industrieel Fries boerenland.

Dit wordt een pleidooi tegen beter weten in. Een pleidooi voor een mooi landschap. Een pleidooi voor schoonheid. Schoonheid telt doorgaans niet als argument. Dat is vreemd, want wie kiest nu bewust ervoor te leven in een lelijk land, in een lelijke omgeving? Wie verkiest een leeg weiland met één grassoort dat erbij ligt als een biljartlaken boven een bloemrijk grasland met koeien, grutto’s en kieviten?

Er zijn conservatieve denkers die schoonheid wel een argument vinden. Zoals Roger Scruton, de – om andere redenen omstreden – Britse filosoof die esthetiek een van de toevluchtsoorden tegen het consumentisme noemt. Hij doelt daarmee onder meer op het kleinschalige, agrarische cultuurland. Inclusief gifvrije landbouw, lokale markten en een gemeenschap waarin de menselijke maat telt. Inclusief de traditionele vossenjacht ook, dat dan weer wel. 

Ook de Britse schrijver Paul Kingsnorth, geen conservatief maar wel een gedesillusioneerde milieuactivist, verzet zich tegen het ‘rationalistische waanidee’ dat alles wat van belang is in geld kan worden uitgedrukt. Milieuactivisten en natuurbeschermers zijn de taal van de machthebbers gaan spreken, zo schrijft hij in zijn zojuist in het Nederlands verschenen boek Bekentenissen van een afvallig milieuactivist, en ‘dat is je ziel verkopen aan de duivel’. Voorbeeld: ‘Voer aan dat een regenwoud moet worden beschermd vanwege de economische waarde ervan als koolstofput en je hebt niets meer te zeggen wanneer er goud of olie van veel grotere waarde onder wordt gevonden.’ Zeker, erkent Kingsnorth, de pijn om het verlies van natuur is een subjectieve gewaarwording. Net als ons vermogen om lief te hebben of schoonheid of lelijkheid te ervaren. ‘Maar ze is ook volkomen echt.’

Ik ben het eens met Kingsnorth, toch vrees ik dat met alleen het argument van ‘schoonheid’ de strijd niet te winnen valt. Misschien helpt het als er in die schoonheid oplossingen schuilen. En laat dat nu het geval zijn. Oplossingen voor vijf grote, verwante problemen zelfs: het verlies aan plant- en diersoorten, het stikstofprobleem, het verlies aan cultuurhistorisch landschap, het probleem van het dierenwelzijn en de leegloop van het platteland. Deze problemen los je op door een simpelweg te kiezen voor een prachtig agrarisch cultuurlandschap. Een landschap – waarvan de contouren nog bestaan – waarin het leven terugkeert, in de vorm van mensen, dieren en planten. Een landschap waarin boeren kunnen boeren naast mensen die er wonen, werken en recreëren, en waar de natuur als vanzelf kan bestaan, zonder dat er een bordje bij staat.

Tijdens mijn voettocht door Nederland zocht ik ze bewust op, die plekken waar het gewone landschap nog mooi was, of opnieuw mooi werd. In het stroomgebied van de Groningse Ruiten Aa werd niet alleen de oude loop van de beek hersteld. Aan de buitenranden van het omliggende natuurgebied, met essen, rivierduinen en eeuwenoude stroomruggen, werd gewerkt aan natuurvriendelijke landbouw. Er lagen kleine gifvrije akkertjes met boekweit omringd door vlieren, meidoorns en sleedoorns. De groenlingen en de geelgorzen, de putters, in groepjes, riepen vage beelden op: o ja, zo was het op het platteland. Op een belendende es worden vijf grote akkers omgevormd tot 40 mini-akkers, in mozaïekvorm. Met een grote variatie in gewassen, met brede akkerranden en zandpaden.

 Alles is er gericht op het herstel van het bodemleven, op meer insecten en meer vogels. De productie wordt verwerkt en verkocht door ondernemers uit de regio. Het stroomgebied, zo besloot ik, is een plek om naar terug te gaan. En, zo wist ik ook, dit is een geliefd landschap, bij mensen, dieren en planten.

Ze werden mijn houvast, de bezoekjes aan boeren en betrokken bewoners. In een zee van industriële landbouw werden zij mijn bakens. De Noord-Hollandse biologische bollenteler John Huiberts, op zijn velden gonsde van het leven: vlinders, hommels, bijen, vogels. Of de gangbare veehouder Gerard van der Krogt, in Oterleek, die wel gewoon volop weidevogels op zijn land had, omdat hij dat echt wilde. Boeren in de Friese Wouden, die de houtwallen en elzensingels wél intact lieten. En groentetelers en akkerbouwers die het lukte om met de natuur te boeren en niet tegen de natuur. Goed, het is een waardeoordeel, maar wat me op deze boerenbedrijven, op deze plekken, steeds weer trof: het was er ook mooi, het was er aangenaam toeven.

Ook op de Overijsselse landgoederen Twickel en Lankheet en het Gelderse landgoed Sieverdink zag ik agrarisch cultuurland met volop natuur, met heggen, hagen, houtwallen, bomensingels, vloeiweiden en hakhoutbosjes. In Noorbeek, Zuid-Limburg, deed zowat de hele gemeenschap mee. Paardenhouders brachten heggen en hagen terug, er floreerden hoogstamfruitbomen, op de steilranden stonden meidoorns, kersen, hazelaars, essen, sleedoorns. Diepte in een glooiend landschap met heuvellandkoeien in het Noordal. Dekking en voedsel te over voor dassen, reeën, marters en grauwe klauwieren. De geelgorzen zongen toen ik tussen de heggen liep.

Lichtpuntjes dus, maar slechts puntjes. In Brabant maakte ik er een sport van om te ruiken welke dieren er in welke stallen, of beter, loodsen waren opgesloten: kippen, varkens, geiten of koeien. Want zien deed ik de dieren niet. Twee keer zoveel varkens (6 miljoen) als mensen wonen er in Brabant, daar kan geen luchtwasser tegenop. Ik begreep niet dat de overheid het toelaat, dat de samenleving het toelaat, en ik begrijp het nog altijd niet. Toch: zelfs in Brabant – waar ze wel wat gewend zijn – nemen de protesten toe. En bij de Herenboeren bij Boxtel zag ik dan eindelijk wel varkens die gewoon buiten in de modder liepen. Daar hebben bewoners hun voedselvoorziening in eigen hand genomen, en ook daar was het plaatje opeens een stuk aantrekkelijker. 

Beeld Zeloot

Verderop, langs de Dommel zag ik een glimp van hoe mooi Brabant zou kunnen zijn, en ooit was; ook daar projecten met natuur- en bodemvriendelijke landbouw. Daar zag je opeens dat er wel rekening werd gehouden met de logica en de geschiedenis van het landschap; het verleden werd niet weggevaagd, er werd op voortgeborduurd.

In West-Brabant, bij Uppel, na kilometers leegte, knapte het landschap opeens op. Niet toevallig. Daar, op de percelen van vleesveehouder Rens Kolff, waren keverbanken, winterstoppelvelden, bloemenpercelen en bloemrijke akkerranden teruggebracht. In het kader van een project om de patrijs van de plaatselijke ondergang te redden. Het aantal insecten was in twee jaar tijd geëxplodeerd waarvan vogels, hazen en muizen profiteerden, en dus ook de patrijzen. Sommige keversoorten maakten zich verdienstelijk als van slakken- en luizenjagers. In het proefgebied kwamen inmiddels rond de 120 keversoorten voor, maar niet de schadelijke coloradokever, die wel was aangetroffen in aardappelvelden buiten het proefgebied. De kracht van natuurlijke weerbaarheid, vermoedden de onderzoekers. Er was veel van alles, ook veel vogels die larven van kevers eten. Geen enkele soort kon er overheersen. Landbouw kan ook mooi zijn.

Al deze boeren vormen nog altijd een kleine minderheid. De hoofdstroom gaat – gestuurd door de wereldmarkt en de Europese subsidies – onveranderd de andere kant op. Richting schaalvergroting, minder boeren, meer productie, monoculturen, lagere prijzen. En richting een lelijker landschap met nauwelijks nog natuur. Dat speelt zich af op 60 procent van ons grondgebied. Dat is het land dat het beeld bepaalt van Nederland. Of, zoals Siemen Dijkstra, beeldend kunstenaar uit Dwingeloo zei: ‘Mensen maken zich druk over het verdwijnen van Zwarte Piet, maar ons landschap zegt pas echt iets over onze identiteit.’

Vandaar dit simpele pleidooi: neem het landschap weer als uitgangspunt. Dat landschap is in eeuwen tijd geleidelijk gevormd en door mensen ingericht, volgens een logica die werd gestuurd door de bodem, de grondsoorten, de loop van beekdalen en rivieren. Pas in de laatste vijftig jaar is die gedachte losgelaten, er is op brute wijze een nieuwe mal over het land gelegd, die van de schaalvergroting en intensivering. Een vergissing, zo wisten we al in de jaren tachtig van de vorige eeuw. 

Draai die ontwikkeling terug, draai de geldstromen weer om. Maak van de grondgebonden, natuurvriendelijke boeren de hoofdstroom. Ontmoedig het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen, stop met het importeren van veevoer. Geef het Europese subsidiegeld niet meer aan de agro-industrie, maar gebruik het voor boeren die heggen, hagen, houtwallen, bomensingels, potstallen, sloten, bloemrijke akkerranden, strokenteelt terugbrengen, boeren die de bodem verbeteren en aan natuurlijke plaagbestrijding doen. En verhoog de geforceerd lage waterstand, vooral in de veenweidegebieden. 

Neem de boeren in dit verhaal – en vele anderen – als voorbeeld, en laat de boeren die op het Malieveld protesteerden meedoen.

Een gevolg zal zijn: veel minder dieren, die veel meer ruimte hebben. Het landschap knapt op, het stikstofprobleem verdwijnt, de leegloop van het platteland stopt, natuurgebieden kunnen weer zonder miljoenen euro’s voor het plakken van pleisters. Stop, kortom, met de geforceerde overproductie die de problemen heeft veroorzaakt: maak de landbouw extensiever. Of, beter gezegd: ga weer landbouw bedrijven in plaats van industrie. Dan nog produceert Nederland meer dan genoeg voedsel. In een mooi land. En de natuurgebieden, dat zijn dan geen eilandjes meer in een zee van landbouwindustrie, nee, ze zijn verweven met het omliggende boerenlandschap.

Ik kan de tegenwerpingen wel uittekenen: ja, maar de wereldmarkt, Europa, het verdienmodel, duurder voedsel, belangen. Maar je kunt als samenleving, als overheid ook zeggen: wat is het algemeen belang, welk land willen we zelf eigenlijk? Willen we een mooi of lelijk land? Willen we echt een steeds grauwere wereld met slechts raaigras, maïs, brandnetels en bramenstruiken of willen we een wereld met vogels, vlinders, bijen, kleur? En een oplossing voor vijf problemen dus. 

Voor dit plan zijn dappere conservatieve politici nodig, vooral van CDA-huize. Bij die partij ligt de sleutel. Politici die luisteren naar oud-minister Cees Veerman, die al herhaaldelijk heeft gezegd dat de intensieve landbouw in Nederland niet meer houdbaar is. Herstel het rentmeesterschap in ere, en daarmee het leefbare, agrarisch cultuurlandschap. Een mooie, conservatieve gedachte. En het mag ook best wat kosten. Het gaat tenslotte om een heel land.

Van Caspar Janssen is zojuist verschenen bij uitgeverij atlas contact: Caspar loopt; een voettocht door de landschappen van Nederland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden