Column Peter Middendorp

Iedere cliënt in een kliniek weet wat je op welke momenten tegen wie moet zeggen

Hij zat er goed bij, Michael P., ’s ochtends, in de kliniek. Zo had hij het die ochtend tegen zijn hulpverleners gezegd: ‘Ik zit er goed bij’. En zo hadden zij het vervolgens in hun rapport opgeschreven: ‘Hij zit er goed bij’. Later die dag verkrachtte en vermoordde hij Anne Faber, het meisje met de kalme glimlach. Hoe kon dat gebeuren? Tijdens de rechtszaak tegen P. deze week zaten de medewerkers van de kliniek nog altijd met hun handen in het haar. Hij had er zo goed bij gezeten. Administratief klopte het allemaal.

Zoals het gaat in de kliniek van Michael P., ging het ook in de kliniek waarin ik kort gezeten heb, alle klinieken waarover ik sindsdien gehoord en gelezen heb en de kliniek waarin we enkele weken geleden een vriendin moesten achterlaten. Overal, in alle klinieken van Nederland, worden de bewoners om 10.45u, 15.30u en 19.45u in een kring bijeengeroepen en krijgt iedereen driemaal daags dezelfde vraag: ‘Hoe zit jij erbij?’

Je wordt bijna gedwongen om te zeggen dat je er goed bij zit. Alle andere antwoorden zijn in elk geval verkeerd. Ze brengen onrust in de groep, wakkeren angsten en verlangens aan. Maar het belangrijkste: ze houden de boel op, halen het tempo uit de dag. De anderen willen roken. De hulpverleners moeten hun dossiers bijwerken.

Iedere bewoner weet dan ook vanaf dag twee wat je op welke momenten tegen wie moet zeggen om het verblijf zo pijn- en probleemloos mogelijk door te komen. De medewerkers krijgen er alleen maar tijd voor de administratie – als iedereen in de organisatie zijn computervinkje heeft gezet, is niemand meer verantwoordelijk. Pas als je echt antwoord geeft of tabletjes weigert, kom je in het vizier van de begeleiding.

Zo kan het gebeuren – zeg maar – dat er een gat ontstaat tussen de cliënt in de computer en de cliënt zelf. Ik herinner me de verbazing van de leiding over een man die meteen weer de fout in ging. Ik herinner me een argeloze stagiaire met spectaculaire billen in een gele, haast doorschijnend strakke broek, die uit wandelen ging met een veroordeelde geweldscrimineel van twee bij twee met een seksverslaving, het bos in. 

Op de gevel van de kliniek waar we onze vriendin naartoe hebben gebracht, ergens in het oosten van het land, hing een bordje waarop High Intensive Care geschreven stond. Ze zou er de eerste vijf dagen geen serieuze hulpverlener zien. Binnen was het troosteloos, kaal en schraal. Er was niemand op de afdeling. Er stond alleen een half-overspannen stagiaire wat te redderen in de keuken. Iemand nog een bekertje water?

Vooraf zei een psychiater dat mensen tegenwoordig niet meer zo snel worden opgenomen. Het gebeurt alleen nog als het echt niet anders kan. Ik keek hem aan. Ik begreep wat hij bedoelde. Als je crimineler wordt in de gevangenis, zieker in het ziekenhuis en verslaafder in de afkickkliniek, is het niet meer dan logisch dat een verblijf in een psychiatrische inrichting slecht is voor je geestelijke gezondheid.

Straks ga ik bellen om te vragen hoe het gaat. Ik ben bang dat ik het antwoord ken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.