column Ibtihal Jadib

Ibtihal laat in gezelschap nooit merken dat ze moslim is

Ibtihal Jadib. Beeld Valentina Vos

De inleverdatum voor deze column ligt ruim voor de publicatiedatum, reden waarom ik vrijwel nooit over de actualiteit schrijf. Ditmaal maak ik een uitzondering. Tegen de tijd dat u deze column leest zal er een uitputtende reeks nieuwsberichten en opiniestukken zijn verschenen over de aanslag op de moskeeën in Nieuw-Zeeland. Toch wil ik het er ook over hebben.

Het besef dat er mensen zijn die mij, of ieder willekeurig andere moslim, dood willen hebben voelt onwerkelijk. En toch is dat de verpletterende werkelijkheid. Minstens zo verpletterend is het besef dat ik dezelfde positie zou hebben als ik een jood, yezidi of concertganger in Bataclan was geweest. Om maar een paar voorbeelden te noemen. In al onze verscheidenheid zijn we gelijk in het vermogen om de ander te degraderen tot een lagere soort.

Ik krijg geregeld e-mail van een ‘fan’ die mij met veel uitroeptekens er op wijst dat alle moslims het land uit moeten. De arme man maakt zich vreselijk zorgen over Nederland omdat mensen zoals mijn ouders hiernaartoe zijn gekomen en vervolgens kinderen hebben gekregen zoals ik. En ook ik heb mezelf voortgeplant; het zit hem niet mee. Toen mijn kinderen trouwens de Nederlandse achternaam van hun vader kregen betrapte ik mezelf op een gevoel van opluchting. ‘Dat zal ze veel gedoe besparen’, schoot er door m’n hoofd. Verontwaardigd riep ik mezelf tot orde, maar de opluchting bleef.

Wanneer ik mij in een oorspronkelijk Nederlands gezelschap bevind, laat ik nooit merken dat ik moslim ben. Bij alcohol zeg ik dat ik de Bob ben en als er varkensvlees op tafel komt ben ik die dag vegetariër. Als mijn religieuze overtuiging toch uitkomt, brengt dat meestal een subtiel maar onmiskenbaar schokje teweeg. De getroffene kijkt me dan aan met een zoekende, onzekere blik, soms ook teleurgesteld omdat de aanvankelijke perceptie was dat men van doen had met een leuke meid. Pijlsnel wordt vervolgens gescand waar ik sta ten opzichte van zaken als homoseksualiteit en de sharia. Pas als door mijn antwoorden het gemoed is gesust kunnen we door met het gesprek. Al weet ik in sommige gevallen dat we nooit meer vrienden zullen worden.

Het is omgekeerd, als ik me uitsluitend onder moslims bevind, trouwens niet veel anders. Ik laat dan niet merken dat ik getrouwd ben met een niet-bekeerde Nederlander want als dat uitkomt, verschijnt hetzelfde onmiskenbare schokje. Al is het moeilijker te zeggen of daarop een degradatie volgt want dat vind ik bij moslims minder eenduidig. Een jongen die wekelijks in de club staat te zuipen kan mij eerder afschrijven dan iemand die dagelijks naar de moskee gaat, daar valt geen peil op te trekken.

Waar ik wel van op aan kan is de toenemende bijdrage van de politiek aan het negatieve beeld van de islam. De retoriek van verdelende politici is doorgesijpeld tot in de haarvaten van onze samenleving en voedt de afkeer tegen moslims. Het gaat er bij mij niet in dat politici hun bijdrage aan de haat tussen bevolkingsgroepen niet kennen. Ik vermoed dat het ze simpelweg niets uitmaakt omdat mannen als Trump, Baudet en Kuzu alles en iedereen in dienst stellen van hun eigen glorieuze zelf.

Als we haat voelen voor anderen is dat verdrietig, maar nog geen ramp. We hoeven niet allemaal beste vrienden te zijn. Het gaat pas mis wanneer haat een actief instrument wordt om anderen te ontdoen van hun menselijkheid. Dat geeft iemand als Tarrant ruimte om tientallen levens te beëindigen met een verheugd: ‘Laat het feest beginnen!’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden