Opinie

Hoogleraren in ingezonden brief: AOW-leeftijd stijgt te snel

Een nieuw kabinet doet er goed aan een meer evenwichtige koppeling aan te brengen tussen levensverwachting en AOW-leeftijd, betogen drie NIDI-onderzoekers. Laat de stijging in de levensverwachting niet alleen doorwerken in een langere arbeidscarrière maar ook in een langere pensioenperiode.

Oudere aan het werk. Foto anp

Politieke partijen nemen elkaar in deze verkiezingstijd de maat over een AOW bij 65 of 67 jaar. De AOW-leeftijd zal de komende decennia echter nog 10 jaar hoger uitkomen. Volgens ons is deze verhoging onevenwichtig waardoor op termijn de balans tussen werk- en pensioenjaren sterk uit het lood zal zijn geslagen. Een nieuw kabinet doet er goed aan een meer evenwichtige koppeling aan te brengen tussen AOW-leeftijd en levensverwachting.

Sinds 2013 stijgt de AOW-leeftijd. Vanaf 2022 volgt de AOW-leeftijd de opwaartse ontwikkeling van de levensverwachting. Omdat we steeds ouder worden is er veel voor te zeggen dat de AOW-leeftijd toeneemt. Als de AOW-leeftijd teruggebracht zou worden tot 65 jaar, zouden generaties die nu de arbeidsmarkt betreden meer dan 30 jaar van hun AOW kunnen genieten. Dan zou de verhouding tussen het aantal AOW-jaren en het aantal arbeidsjaren wel erg scheef komen te liggen.

Het idee om de AOW-leeftijd automatisch te koppelen aan de levensverwachting klinkt solide - het voorkomt ieder jaar 'gedoe' in de Kamer - en het appelleert ook aan een vorm van rechtvaardigheid: generaties die langer leven mogen ook wel langer werken.

Koppeling

De koppeling lijkt niet meer dan een technische kwestie. Het tegendeel is waar. Er gaan principes schuil in de discussie rond deze koppeling van de AOW-leeftijd die iedereen - jong en oud - aangaan. En die principes zijn in het debat totaal onderbelicht. Voor de wetswijziging van 2012 was de AOW-leeftijd constant - 65 jaar - en kwam iedere winst in de levensverwachting volledig ten goede aan een toename van het aantal AOW-jaren.

Met het huidige principe - het aantal AOW-jaren blijft constant - is het kabinet vervallen in het andere uiterste: de AOW-leeftijd neemt even snel toe als de levensverwachting op 65-jarige leeftijd. De winst in levensverwachting dient dus volledig te worden besteed aan een verlenging van de arbeidsloopbaan, terwijl er geen winst overblijft voor het aantal jaren dat men AOW-ontvangt.

Beide posities zijn op lange termijn onhoudbaar. De constante AOW-leeftijd van 65 is onhoudbaar omdat de betaalbaarheid in het geding komt. De huidige koppeling aan de levensverwachting is eveneens onhoudbaar omdat het een disproportionele doorwerklast neerlegt bij de werkende generaties van nu en in de toekomst.

Compromis

Er is echter een compromis denkbaar dat én tegemoetkomt aan het financiële houdbaarheidsvraagstuk én het rechtvaardigheidsbeginsel dat huidige en toekomstige generaties op evenwichtige wijze behandelt. Een middenpositie kan men innemen door de huidige verhouding tussen het aantal AOW-jaren en het aantal werkjaren als basis voor de koppeling te nemen, waarbij die verhouding constant wordt gehouden. Op die manier garandeer je dat wanneer de levensverwachting stijgt de toename niet alleen doorwerkt in een langere arbeidscarrière maar ook in een langere pensioenperiode.

Uit berekeningen van het NIDI blijkt dat dan de AOW-leeftijd veel gematigder stijgt. Om een voorbeeld te geven, voor mensen die in 1975 zijn geboren zou de AOW-leeftijd dan uitkomen op 68 jaar in plaats van 70 jaar, als de huidige wet wordt gevolgd.

Natuurlijk zal het uitgangspunt van een constante verhouding werk/pensioen financiële consequenties hebben, maar die zullen beperkt zijn. Het aantal AOW'ers zal in 2060 3,8 miljoen zijn in plaats van de 3,5 miljoen die nu verwacht worden. Ter vergelijking: als de regering de AOW-leeftijd op 65 had gehouden zou Nederland in 2060 4,8 miljoen AOW'ers tellen.

Het grote gevaar met het huidige koppelingsmechanisme is dat er geen rem op zit. Daardoor stijgt de AOW-leeftijd hard en genereert deze systematiek onvrede en onzekerheid. Daarnaast zal de levensverwachting voor diverse sociale klassen geen gelijke tred houden met de gemiddelde levensverwachting die de regering gebruikt om te koppelen.

Hoogopgeleiden van 65 jaar leven 3 à 4 jaar langer dan laagopgeleiden, waarbij bovendien hoogopgeleiden 70 procent van hun pensioenjaren in goede gezondheid doorbrengen. Voor laagopgeleiden is het vergelijkbare percentage 40 à 50 procent. Het hoeft geen betoog dat op een gegeven moment het huidige koppelingsmechanisme aversie gaat oproepen. Indien een regering de intentie heeft om een volksverzekering zoals de AOW te handhaven, dan is het ook zaak dat men het volk, dat men verzekert, betrekt in die beslissing. Die intentie begint met een redelijk en houdbaar beginsel.

Harry van Dalen is hoogleraar economie aan Tilburg University en het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI).
Joop de Beer is hoofd vergrijzing en levensduur van het NIDI.
Kène Henkens is hoogleraar Veroudering, pensioen en levensloop bij UMCG Groningen en tevens hoofd werk en pensioen van het NIDI.


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.