Opinie ontwikkelingshulp

Hoe oud-minister Pronk het regime van Afrikaanse leiders door de vingers zag

Waarom heeft het 30 jaar geduurd voor oud-minister Pronk teleurgesteld is geraakt in Afrikaanse leiders?

Ethiopische ambtenaren met een portret van president Meles Zenawi, na zijn dood in 2012. Foto Reuters Beeld -Reuters

Voormalig minister voor ontwikkelingssamenwerking Jan Pronk toont zich ‘zeer teleurgesteld’ in Afrikaanse leiders. Daarbij doelt hij met name op het drietal Yoweri Museveni (Uganda), Isaias Afewerki (Eritrea) en Meles Zenawi (Ethiopië). Dit zegt Pronk in NRC Handelsblad van 3 juli.

Rond 1990 had Pronk ons voorgehouden dat dit trio de start inluidde van een Afrikaanse Lente. Fris, nieuw, op democratie gericht leiderschap dat een schril contrast zou gaan vormen op een verder door potentaten beheerst continent. Maar vanwaar Pronks teleurstelling? En waarom pas na dertig jaar? Was al niet vrijwel vanaf het begin duidelijk dat alle drie fout waren?

Museveni had in 1986 aangekondigd dat hij in Oeganda schoon schip zou maken. ‘Geef mij een paar jaar. Meer heb ik niet nodig’, zei de sluwe vos. Nu, drie decennia later, is hij nog steeds schoon schip aan het maken en, erger nog, via allerlei recente grondwetswijzigingen ziet het er naar uit dat hij tot aan zijn dood het scheepsdek zal mogen blijven zwabberen. Hij is inmiddels tot overmaat van ramp ook al begonnen met het klaarstomen van zijn zoon tot troonopvolger.

Had Pronk al niet in pakweg 1992 ons moeten zeggen dat hij zich voor wat betreft Oeganda wellicht had vergist?

Ethiopië

Dan Ethiopië. Daar was onder ­Meles Zenawi (overleden in 2012) nul komma nul democratie. Al spoedig werd trouwens duidelijk dat hij vooral naar buiten toe de leider van het land was. De echte macht berustte bij het politbureau van het TPLF (Tigrayan People’s Liberation Front). De samenstelling van dat politbureau was geheim. Zelfs in Stalins ergste jaren wist iedereen tenminste nog wel wie in het Sovjet-politbureau zaten. Vanwaar die Tigrese geheimzinnigheid? Omdat de leiders wisten dat zij, afkomstig uit kleine etnische minderheid (Tigreeërs vormen 5 procent van de bevolking), per definitie bij de rest van de bevolking gehaat zouden zijn. Zenawi was een vooraanstaand lid van het politbureau, maar iemand anders zwaaide de scepter.

Ik werkte in Zenawi’s beginperiode op de ambassade in Addis Abeba en het was in die tijd onder diplomaten een sport om te speculeren over dat rare politbureau. In 1993 presenteerde zich een buitenkans. Het TPLF organiseerde een groot verjaardagsfeest in Mekelle, de hoofdstad van de regio Tigré. Alle ambassades kregen een uitnodiging. Maar Mekelle was, nou ja, geen pretstad en uiteindelijk ben ik alleen met een Amerikaanse collega afgereisd. Twee dagen hebben we alles geanalyseerd – de tafelschikkingen, de voorste rij partijkaders op de tribune, de lichaamstaal, noem maar op. En we hebben ook heel voorzichtig gesprekjes gevoerd – gelukkig werden we dankzij onze aanwezigheid gezien als redelijk TPLF-vriendelijk (‘Die mevrouw daar in die gebreide rode trui?’ ‘Nee’. ‘En die meneer naast haar, met die zwarte plastic sandalen?’ ‘Uuuh, ja, die wel’).

Terug in Addis Abeba schreef ik een codebericht aan Den Haag met als onderwerp: ‘Mogelijke samenstelling van het politbureau van het TPLF’. Het bleef gissen. Binnen het politbureau opereerde een op Enver Hoxha’s leer geschoeide marxistisch-leninistische liga. Maar die was zo supergeheim dat we daar nooit veel zinnigs over hebben weten te melden. Beleefde Ethiopië in die jaren een politieke lente? Laat me niet lachen. Wist Pronk begin jaren negentig al dat hij qua Ethiopië fout zat? Natuurlijk.

Eritrea

Twee jaar tevoren had toenmalig ambassadeur Jan Jonkman me gevraagd om van Addis Abeba naar Eritrea’s hoofdstad Asmara te gaan. ‘We hebben er geen idee van wat daar speelt.’ En, inderdaad, al jaren waren er geen diplomaten vanuit Ethiopië naar de opstandige provincie gereisd. Ik vloog naar Mekelle en ging vervolgens per bus naar de grens (die later bij Eritrea’s onafhankelijkheid grosso modo de officiële landsgrens zou worden). Daar hield al het transport op. Vanuit Eritrea passeerde een eindeloze stroom deerniswekkende soldaten van Mengistu’s verslagen leger. Maar richting Eritrea ging niets. Pas na uren kon ik met mijn Samsonite-koffer achter op een ezelwagentje het niemandsland doorkruisen. Toen ik de volgende ochtend voor een eerste verkenning het hotel in Asmara wilde verlaten, werd ik teruggeroepen. ‘In uw postvakje zit een belangrijk stuk.’ Ik: ‘Kan niet; niemand weet nog dat ik hier ben.’

Het bleek een uitnodiging om me om tien uur te presenteren bij Asaias Afewerki. Kennelijk was ik in die nacht al getraceerd door Eritrea’s geheime dienst en was er bovendien al overleg geweest tussen die dienst en Afewerki’s secretariaat. Oef, wel een beetje een eng land, dacht ik.

Het gesprek met Afewerki was verschrikkelijk. Politieke partijen zouden niet worden geduld; persvrijheid zou er niet komen; nul vrijheid van vereniging en vergadering. Iedereen en alles zou zich moeten scharen onder de paraplu van het Eritrean People’s Liberation Front. Ook daarover ging een codebericht aan Den Haag. Heeft Pronk dat verhaal gelezen? Zeker weten. Hij las alles. Mijn bericht bevatte geen doorwrochte analyse die met stevige tegenargumenten onderuit had kunnen worden gehaald. Nee, het waren Afewerki’s eigen, klare woorden.

Belastingbetalers

Jarenlang heb ik me afgevraagd: hoe konden Pronk en, in zijn kielzog, de PvdA hiermee wegkomen? Hoe kan het dat we Afewerki’s Eritrea ­financieel steunden en tegelijkertijd óók de uitgestrekte vluchtelingenkampen voor Eritreeërs rond de Soedanese stad Kassala. Voelde dat voor hem nooit als een absurde spagaat? Nu pas, dertig jaar later, zegt hij dat hij teleurgesteld is. Had het hem niet gesierd als hij tevens ook nog even ‘sorry’ richting de Nederlandse belastingbetalers had gezegd? Honderden miljoenen zijn naar Oeganda, Ethiopië en Eritrea gesluisd. Met dat geld zijn ook goede dingen gedaan. Maar de premisse van die hulp – nieuw, vrolijk, open leiderschap – is een heel erg foute inschatting geweest.

Mogen wij op onze beurt een beetje teleurgesteld zijn in Pronk?

Robbert van Lanschot is oud-diplomaat in onder andere Ethiopië en Eritrea.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.