Column Martin Sommer

Hoe je kunt werken aan burgerschap en tegelijk het Nederlands afschaffen

Ergens voltrok zich een copernicaanse omkering, omdat burgerschap in Nederland zoiets is als gewoon jezelf zijn. 

Arie Slob wil het burgerschapsonderwijs opfrissen. ‘Verduidelijken’ heet dat in het wetsvoorstel van de minister en heel duidelijk is het nog niet. Verduidelijken klinkt ook niet alsof hij er zin in heeft. De meest radicale vernieuwing is dat ‘sociale integratie’ als doel van burgerschap ‘sociale cohesie’ wordt. Niet heel ambitieus, maar Slob komt dan ook uit een christelijk huiverige hoek voor inperking van de onderwijsvrijheid.

Staatspedagogiek is omstreden. Waar vriend, vijand, sociaal-democraten en soevereinen-in-eigen-kring het over eens zijn, is de betekenis van burgerschap in Nederland. Dat is kortweg Artikel 1 Grondwet, het non-discriminatiebeginsel. Of zoals ik erover op de radio hoorde, ‘dat je in dit land mag zijn wie je wilt zijn’. De lakmoesproef van burgerschapsonderwijs is of homoseksualiteit kan worden besproken in de klas.

Niet veel zin... Beeld ANP

Nu ben ik helemaal voor ‘zijn wie je wilt zijn’, maar als beginsel van burgerschap is het mager. Daarover is in de negentiende eeuw, toen het burgerschap vorm kreeg, beter nagedacht. Het toeval wil dat het over tien dagen precies anderhalve eeuw geleden is dat Thorbecke zijn Grondwet van 1848 aan de Tweede Kamer aanbood. Het kan geen kwaad over burgerschap nog eens bij de oude Thor te rade te gaan.

De man van 1848 sprak niet van burgerschap maar van staatsburgerschap. Dat was het nieuwe aan zijn Grondwet: de burger werd betrokken bij de staat. Voordien onder de standenmaatschappij was macht privébezit. Familie, stand of protectie bepaalden of je deel had aan de macht of niet. Daaraan kwam in 1848 een einde, met de invoering van de gelijkheid voor de wet. Staatsburgerschap betekende dat de burger meebepaalde wat het algemeen belang was.

Daarvoor moest de burger omhoog reiken. Vandaar Thorbeckes bemoeienis met de HBS, de Hogere Burger School, die moest helpen invulling te geven aan de gezamenlijkheid. Staatsburgerschap was dus je afwenden van het particuliere van de standenstaat. In termen van Freud moest de burger van het Es naar het Ich worden geleid, van je eigen kleine ik naar een hogere vorm van gemeenschappelijkheid.

Er is kennelijk wat loos... Beeld ANP

Ergens heeft zich dus een copernicaanse omkering voltrokken, aangezien burgerschap in Nederland zoiets is geworden als gewoon jezelf kunnen zijn. Dat sloot naadloos aan bij zowel het verzuilde denken als later bij het multiculturalisme. Thorbeckes Grondwet kende al het recht op gelijke behandeling. Dat wilde destijds zeggen dat het afgelopen moest zijn met de voorrechten van de standenstaat, en beslist niet dat iedereen op zijn eigen manier zalig moest worden.

Met de Grondwet van 1983 werd het befaamde non-discriminatie-artikel ingevoerd, waarin werd opgesomd dat je geen onderscheid mag maken ‘op welke grond dan ook’. De verklaring van de omwenteling in de betekenis van burgerschap schuilt in de zogeheten ‘horizontale werking’. Niet alleen de staat moest zijn ingezetenen gelijk behandelen, ook de burgers onderling waren daarop aanspreekbaar. Zo kregen we het huidige Artikel 1, vermanend, dominant en omstreden: gij zult niet discrimineren.

Maar over de betrekking tussen burger en staat zegt het niets, en het levert evenmin een idee op van het algemeen belang. Dat blijkt niet alleen uit de moeizame ‘verduidelijking’ van Slob, maar vooral uit de combinatie met het wetsvoorstel dat collega Ingrid van Engelshoven (D66, ook Onderwijs) een dag eerder aankondigde. Zij wil het voorgeschreven Nederlands als voertaal in het hoger onderwijs schrappen uit de wet. Dat er wat loos is met het burgerschap, is wijd en zijd bekend. In de Tweede Kamer staat een nieuwe Nederlandse vlag te glimmen. Het CDA heeft het Wilhelmus in het regeerakkoord weten te wurmen. En toch kan het zomaar gebeuren dat het Nederlands uit de hoger onderwijswet verdwijnt.

Uitzichten... Beeld ANP

Nee, het staat niet met zoveel woorden in de brief die de minister aan de Kamer schreef. Maar ze bevestigde in een vraaggesprek met de Volkskrant dat ze het voorschrijven van het Nederlands niet meer van deze tijd vindt. De diepe tevredenheid van de universiteits- en hogeschoollobby over de ‘internationaliseringsagenda’ spreekt boekdelen. Lees die Kamerbrief, vol inclusiviteit en schitterende uitzichten over de grens. Afgezien van het verschrikkelijke ‘valorisatie’ rept de tekst met geen woord over de plaats van de universiteit in de Nederlandse samenleving.

Even herinneren, speciaal voor regeringspartij CDA die dit liet passeren. Willem van Oranje, die van het verplichte Wilhelmus, stichtte in 1575 de universiteit van Leiden, de oudste van het land. Wat is anno nu de verantwoordelijkheid van onze hoogste onderwijsinstellingen voor het nut van het algemeen, behalve het aanleveren van Engelstalige werknemers voor ASML?

Zo wordt algemeen belang weer meer particulier belang. Burgerschap wordt bevorderd door een bovenlaag die zich op het werk in het Engels onderhoudt. Toen er nog een standenstaat was, sprak de bovenlaag Frans. De landstaal was voor de boertjes. Intussen groeit de berg rapporten over de lager opgeleiden die het steeds moeilijker krijgen. Toch zou ik er niet van opkijken als het Nederlands nog eens wordt opgeheven, en wel uit oogpunt van burgerschap. Want in het land waar ‘iedereen kan zijn wie hij wil zijn’, zullen steeds meer inwoners zich achtergesteld voelen, omdat ze het Nederlands onvoldoende machtig zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.