Column Eva Hoeke

Hoe ik met de Dochter (4) door een regenachtige herfstvakantie scharrelde

Herfstvakantie, voor het eerst, dus we waren thuis, de Dochter (4) en ik.

Ze hadden me gewaarschuwd, van tevoren. Vijf dagen zonder school of opvang, zal je zien dat het regent, en dán. Met een zucht: ‘Op een gegeven moment ben je wel uitgeknutseld.’ Voor de zekerheid had ik mijn werkzaamheden opgeschort, de troef van de freelancer, de grote goedmaker voor alle onzekerheden, en klei gekocht, vier potten in nogal assertieve kleuren, de hard geworden hompen bruin-grijs gooide ik weg.

Nou, het regende inderdaad. Van die zeikregen, je ziet ’m niet maar na een kwartier ben je doorweekt, zelfs de poezen trapten erin.

We vermaakten ons niettemin.

Niet dat we iets bijzonders deden.

Integendeel.

Boodschappen doen, was ophangen, geklooi met een knijpertje. Oefenen met de kalender (‘Ik ben toch jarig in augustig, mama?’) en schilderen op een ouwe krant, de koffie dronken we uit het witte poppenservies. De dagen vulden zich als vanzelf met kalme rituelen en een prettige traagheid, en ik kon niet anders dan concluderen dat we daar na het gejakker van afgelopen weken allebei van opknapten. Sterker, best lekker eigenlijk, zo’n week verplichte rust. Zonder enig knarsetanden voerde ik taakjes uit die hiervoor nog onoverkomelijk hadden geleken, bottlenecks, druppels in overlopende emmers, omdat ik er ’s avonds weer de computer voor had moeten aanslingeren waar ik de godganse dag al achter had gezeten. Nu was het ineens geen probleem meer, hier, hup, nog een mailtje, verzenden, klaar, meteen doorstrepen op het lijstje in mijn hoofd – wie wil er een ijsje? Ik dacht niet aan de opdrachten die ik níét deed, het geld dat ik misliep, en op momenten dat ik dat wel deed corrigeerde ik mezelf met de simpele waarheid dat je beter één ding goed kon doen dan een heleboel op halve kracht, en in gedachten zag ik de blik van mijn moeder, even spottend als lief. Ik zei het toch.

Zo scharrelden we door de week.

We luisterden naar een vertelling van Het zwanenmeer, terwijl de Dochter uit het raam staarde zag ik hoe het verhaal van Prins Siegfried, Odette en Von Rothbart gestalte kreeg in haar hoofd.

We gingen naar de markt, waar ik de aanschaf van een roestbruine bolchrysant overwoog.

We kochten poezenvoer voor Joseph en Olga. Speciale, van de dierenarts, want dat was beter dan die blikken stukgestampt afvalvlees met een klap gelei d’r op van de supermarkt, zo had de assistent me vanachter de lage balie bezworen. En ja, dit was iets duurder maar ook kwalitatiever, ik moest maar eens opletten, hoe hun pelzen in de komende weken zouden gaan glimmen. Het was nog waar ook.

Op de laatste dag haalden we een visje in het dorp verderop. Meteen die herkenning bij binnenkomst, het soort middenstandsintimiteit waar ik al mijn hele leven aan hecht. De Dochter ook, want die krijgt daar altijd een visfrietje. Eenmaal aan de statafel bij het raam wees ze naar een rode, wapperende vlag aan de luifel. ‘Kijk. De i.’ Ik keek naar de i in ‘Nieuwe haring’ en herinnerde me hoe ik had proberen uit te leggen dat in het woord beer geen i zit, nog bepaald geen kattenpis. Hé, kattenpis, weer een i. ‘Kijk eens’, onderbrak de visboer mijn gedachten, tussen zijn ruwe vingers hield hij een visfrietje. ‘Jij lust er vast nog wel een of niet soms?’ De Dochter hapte meteen toe.

‘Ze heeft er al een gehad, hoor’, zei ik, de burgertrut.

‘Och,’ zei de visboer met iets fijn opstandigs in zijn stem. ‘Als je een beetje link bent, kan je een heel end komen in het leven.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden