Verslaggeverscolumn In Rhenen en Apeldoorn

Hoe een dominee probeerde ook de dader te herdenken

Toine Heijmans

Zeven kaarsen brandden in de kerk, voor elke dode één, en de zevende werd telkens uitgeblazen. Die was voor de dader.

Denken aan de dader is moeilijk, zeker na de aanslag op Koninginnedag die tien jaar later nog steeds met moeite wordt herdacht. De wonden moeten dicht: een publieke herdenking in de Grote Kerk wordt eerst afgewezen, maar gaat uiteindelijk toch door. Een paar uur staan de deuren open. Geen toespraken, geen gedoe.

Zeven kaarsen, 2009. Beeld Omroep Gelderland

Rob Visser is er niet bij, hij is met pensioen en wil niemand voor de voeten lopen, al hoor ik in de kerk een paar keer zijn naam gefluisterd. We kennen elkaar: na achttien jaar Apeldoorn werd Rob dominee in de pionierskerk van mijn nieuwe Amsterdamse wijk. Niet de steile berijder van het woord, maar een man die de kerk voor iedereen van elk geloof openstelt, ook voor ongelovigen als ik.

Precies dat deed hij in de dagen na de aanslag, en zijn vrijmoedigheid kwam hem duur te staan. Pas op het allerlaatste moment werd Rob uitgenodigd voor de officiële herdenking, alsof ze hem vergeten waren. De kinderdienst die hij organiseerde werd hem van harte ontraden in het crisiscentrum, waar hij op audiëntie werd genood. Graag vernamen ze waar hij mee bezig was. ‘Rouwverwerking’, was zijn antwoord.

We praten lang bij hem thuis. ‘Ik was best wel eenzaam in die tijd.’

Op het moment dat Karst Tates zijn Suzuki Swift in het publiek boorde, op weg naar de open koninklijke bus, stond Rob vlakbij. Hij woonde honderd meter van dat kruispunt. Het was afschuwelijk. Uren praatte hij met agenten en hulpverleners, en de Grote Kerk werd het epicentrum van verdriet. Rob had het jaar daarvoor een groot gevecht geleverd met de kerkgemeente: hij wilde een kerk voor iedereen. Dat lukte. En zo was er na de ramp in de protestantse kerk katholiek wijwater beschikbaar, gewijd door een pastoor, ­omdat daar behoefte aan was.

Al die dagen was de kerk vol rouwenden. Rob wilde een bezinningsdienst houden en vroeg het de burgemeester, Fred de Graaf. Die was akkoord en regelde dat het ANP ervan op de hoogte kwam. Een dag later trok De Graaf zijn toestemming in – waarom is nog steeds onduidelijk. De media bleven Rob maar vragen naar de situatie, ‘ik was speelbal op elk terrein’, de bezinningsviering ging door zonder burgemeester, ‘het was een hele rare sfeer’. Rob zei op televisie: ‘wij branden hier ook een kaars voor Karst’.

Nu zegt hij: ‘Ieder mens, hoe fout ook, is mens. Als het gaat om tragiek in het leven, maken we geen onderscheid of iemand goed is geweest of slecht. Daar is de kerk voor.’

Het komt door zijn werk. Rob was dertig jaar dominee en zag veel verdriet, probeerde slachtoffers te helpen maar ook daders. De jonge vrouw die haar vriend vermoordde – ‘ik liet haar niet vallen. Ook zij was een mens. En Karst was ook een zoon, van ouders.’

Rob Visser, nu.

Rob leidde na de aanslag twee uitvaarten en hield contact met nabestaanden, waarvan de meesten, zegt hij, de zevende kaars begrepen. Hij bezocht alle families, ook die van de dader. Als de kaars werd uitgeblazen staken ze hem weer aan, maar niet meteen, ‘ik zei: we houden de vrede, laten de mensen rustig rouwen. Apeldoorn had een jaar lang dit feest voorbereid, en dan komt er zo’n dominee die een kaars gaat branden voor die ­verschrikkelijke jongen.’

Rob was een week later niet welkom tijdens de officiële herdenking in de schouwburg, en probeerde dat naast zich neer te leggen – ‘Ik dacht: ik speel de zool, dat is de enige keus die ik heb.’ Die ochtend kwam er toch een uitnodiging. Op het toneel brandden prominent zes kaarsen, ‘dat was een statement’.

Een paar maanden later wordt er ingebroken in zijn huis, en een agent zegt: ‘we moeten ernstig rekening houden met vergelding. U weet toch dat u weinig vrienden heeft in Apeldoorn.’ Dan pas dringt de ernst van de verwijten tot hem door. ‘Ik ging te snel voor Apeldoorn. Ik kon niet anders, en had nu exact hetzelfde gedaan, maar mensen begrijpen dit niet.’ De inbreker blijkt later gewoon een junk.

Herdenken is nooit gemakkelijk, het herdenken van een dader nog het minst. ‘Wat hij deed was zó overduidelijk fout. Maar hij was ook ziek, teleurgesteld in het leven, verknoopt, verdrietig – daar moet je over praten.’

Tien jaar later is dat alleen maar moeilijker geworden – Rob merkte het na de aanslag in de tram in Utrecht en in de discussie over het terughalen van kinderen uit IS-gebied: het stelling nemen, de roep om meer beveiliging, om de keiharde aanpak. ‘Een stad is niet te beveiligen tegen verbitterde, falende mensen. Wat helpt is een milde, luisterende, niet veroordelende samenleving, die ruimte laat aan de mislukten die verpieteren en verdampen. Waar ze het gevoel krijgen: wij worden gezien.’

Tien jaar later brandt in de Grote Kerk één kaars – meer zit er niet in.

Eén kaars, 2019.
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden