Column Peter Winnen

Hitte heeft me de pis zelden lauw gemaakt, om het maar eens plat te zeggen

Volgens de weersvoorspellingen is afkoeling op komst. Na woensdag krijgen we te maken met ‘normale zomerse waarden’. Een verademing voor de kwetsbaren onder ons, en de notoire hittehaters. Voor mij had het niet gehoeven, ik had zo tot de kerst verder gekund. Op het heetst van de dag een toertje op de racefiets doen, ik draai er mijn hand niet voor om. Met het thermostaatje dat ergens diep in de hersenen verborgen ligt, is nog altijd niks mis.

Een tijdje terug hoorde ik van een tamelijk goede Nederlandse wielrenner dat hij en zijn ploeggenoten, op aandringen van de medische staf, de kleur van hun urine goed in de gaten moesten houden en erover rapporteren. Te donkere urine betekent dat er sprake is van een vochttekort, en bij een vochttekort presteer je substantieel minder. Ach, het is een biologisch abc-tje.

Niet dat ik er een studie van maak, maar bij het onvermijdelijke toiletbezoek na mijn ritjes op de fiets monster ik routinematig de tint van de urine. Geen reden tot paniek, nooit. Met andere woorden: het had best harder gemogen onderweg. Eerlijk gezegd verbaas ik me, staand voor een urinoir bij een incidenteel drinkgelag, veel meer over de kleurloosheid van urine.

Hitte heeft me de pis zelden lauw gemaakt, om het maar eens plat te zeggen. Boven de dertig graden Celsius leverde ik altijd mijn beste professionele prestaties. Dit was een grensgeval: In 1982 won ik de Touretappe naar Morzine, dik 250 kilometer lang, het kwik schommelde de hele dag rond de 35 graden. De col de Joux Plane met zijn kranige stijgingspercentages was de laatste beklimming, waarna het nog 10 kilometer naar beneden was.

Op het smalle wegdek zogen de banden zich vast in gesmolten teer. Geen zuchtje wind. Met de zon loodrecht op de helling zal het er een graad of vijftig zijn geweest. Fijn voor druivenranken, maar twijfelachtig voor een wielrenner. Het stadium dat het lichaam überhaupt nog vocht kon opnemen was allang voorbij. Dat wat ik in het dal nog had gedronken, klotste als ballast tegen de maagwand. Het tempo werd gedicteerd door krampimpulsen. Ik kreeg het koud.

Het liep dus goed af. In Morzine moest ik protocollair in een glazen kannetje plassen. Het duurde even, een gedehydrateerd lichaam laat niet zo makkelijk lopen. Het beetje dat kwam had de kleur van ambachtelijk gebrouwen trappistenbier. Het rook alleen heel anders. Ik had echt te doen met de dopingcontroleur van dienst die een en ander over twee flesjes probeerde te verdelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.