Lust en Liefde Ongeconsumeerde liefde

Hij was getrouwd, maar eigenlijk waren wij al heel lang van elkaar

‘We hebben nooit een ordinaire geheime verhouding gehad, draag ik aan als verdediging. Nooit afspraken op een Bastion-hotelkamer waar we elkaar de kleren van het lijf trokken. En, wat meer zegt, we hebben nooit die aanvechting gevoeld. Ook al zijn we al verliefd sinds ons 18de. Al die jaren wisten we dat we voor elkaar waren bestemd, maar toen hij - uit plichtsbesef, angst - besloot bij zijn vriendin te blijven, verwaterde het contact. In de decennia erna trouwden we allebei, hij met die vriendin, ik met een leuke oudere man die ik adoreerde. Zoals dat gaat met oude liefdes las ik met een steek in mijn hart in de krant dat zijn eerste kind geboren was, en daarna nog een. Zelf kreeg ik een dochter.

Beeld Sasa Ostoja

Pas vorig jaar, een jaar na de dood van mijn man, belde ik hem. Ik was nog erg in de war. Mijn man was lang ziek geweest, ik wist dus al lang wat me te wachten stond. Toch leek het alsof met hem al mijn zekerheden in een klap verdwenen. Overdag werkte ik als strafadvocaat, maar ’s avonds at ik niet en ’s nachts sliepen mijn dochter en ik dicht tegen elkaar aan, in de hoop dat lichaamswarmte het allerzwartste uit ons verdriet zou halen. Na dat jaar vond ik dat er iets moest gebeuren. De bedaagde villawijk waar ik altijd met mijn man had gewoond, paste niet meer. Mijn dochter ging de deur uit en ik verhuisde naar een grote stad. Vlak voor zijn dood had mijn man op die typische half-ernstige, half-grappende manier die hem eigen was iets opmerkelijks gezegd: ‘Als ik er niet meer ben, bel je Frederik maar.’ Ik lachte - alsof ik me liet overdoen aan een ander.

Maar het was dus met zijn toestemming dat ik Frederik belde. Hem kende ik tenminste. Ik kende zijn familie, zijn achtergrond, veiliger dan bij hem zou ik me nooit bij iemand kunnen voelen. Hij was net met zijn kinderen bij zijn moeder toen ik hem belde. Drie uur hebben we met elkaar gesproken en alles was er weer: de aantrekkingskracht, de energie, zijn blijheid. We begonnen elkaar te ontmoeten, zonder met elkaar naar bed te gaan.

Het leven had me veranderd, de dood van mijn man had geduld en nuance in mij naar boven gebracht. Wat ik op mijn 18de niet begreep, dat Frederik onze liefde wel erkende maar er niet naar kon handelen, snapte ik nu beter. Zeker op onze leeftijd kun je niet blind op je eigen gevoelens afgaan. Hij droeg niet alleen verantwoordelijkheid voor zichzelf, maar voor alle levens om hem heen. Een scheiding zou netto misschien wel meer verdriet opleveren dan geluk als je de gevoelens van zijn vrouw, alle kinderen en bejaarde ouders meerekende. En toch, een ander deel van me was een stuk minder redelijk. Ik wilde opeisen wat het leven als het ware al die tijd voor me in petto had gehad. Die overtuiging was zo sterk, dat ik bijna verbaasd was toen een collega op een keer geschokt zei: ‘Ik zag een trouwring om de vinger van je vriend.’ Ja, dat klopt, hij was getrouwd, voor de tweede keer zelfs, maar eigenlijk waren wij al heel lang van elkaar. Ongeconsummeerde liefde is ook liefde. Nogmaals, we deden niks stiekem. Hij heeft zijn tweede vrouw verteld dat we weer contact hadden, dat is in ieder geval iets waarop ik me kan beroepen, al zal het in haar ogen wel schamel zijn. Op een nacht droomde ik dat ze me vroeg: ‘Waar ben je mee bezig? Ik hou toch ook van hem?’

Ook tegen mij was hij eerlijk, op het pijnlijke af. Hij beloofde niks. Op vakantie met zijn vrouw mailde hij dat hij ‘iedere seconde’ aan me dacht, maar hij was nog niet terug of hij begon doodleuk met een verbouwing van hun huis en liet weten dat hij er tegenop zag zijn leven overhoop te gooien. Daarin toonde hij zich opnieuw die man van 38 jaar geleden die het iedereen naar de zin wilde maken. Misschien was het beter het louter vriendschappelijk te houden, dacht ik toen. Ik was te kwetsbaar voor nieuwe dompers. Dat ik hem groothartig begreep, was niet voldoende. Als hij toen ook maar één keer had gezegd: ik hou ook nog steeds van háár, als hij had gezegd dat hij twijfelde of als ik de indruk had gehad dat zijn kinderen gelukkig waren in dit tweede huwelijk, dan had ik - hopelijk - de moed gehad om af te haken. Want zijn redenen om niet voor mij te kiezen waren immers allemaal terug te voeren op dat sociale bouwwerk dat misschien zou instorten zodra hij zich zou losmaken.

Uiteindelijk hakte ik de knoop door en besloot hem niet meer te zien. ‘Meen je dat of zeg je dat maar?’, vroeg hij. ‘Als jij wilt dat het anders gaat, moet je nu beslissen’, antwoordde ik. En dat deed hij. De avond waarop hij zijn gezin verliet, zat ik in Dubai. Voor 1.000 euro heb ik mijn vlucht omgeboekt om eerder terug te kunnen. Op het vliegveld liet ik mijn nagels doen en in mijn handbagage stopte ik een mooie broek om zo fraai mogelijk in zijn armen te kunnen springen. Thuis in mijn badkamer vond ik een oplader met twee tandenborstels. De keuken stond vol heerlijk eten. Die nacht hebben we voor de allereerste keer samen in een bed geslapen en daarna is hij niet meer weggegaan.

Dat was 7 januari van dit jaar. Nog iedere avond loop ik, tegen de tijd dat ik hem thuis verwacht, de trap af en ga in de straat staan wachten tot hij komt aangefietst. De samengestelde familieconstructie met hem aan het hoofd is er niet meer, maar zijn kinderen komen hier graag. Het is precies zoals in mijn stoutste dromen, precies zoals mijn overleden man had voorzien.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.