ColumnMax Pam

Het zaaddonorschap is een vorm van narcisme

In deze krant werd maandag het verhaal opgetekend van Erik Beijen (72), zaaddonor van ten minste zeven kinderen.

Laat ik maar meteen heel eerlijk zijn: alles wat Beijen vertelt, is mij onsympathiek. Van het begin tot eind. Van de wijze waarop de kinderen zijn heeft verwekt, tot aan zijn besluit om ermee in de krant te gaan staan, waarbij wij ook nog eens te horen moeten krijgen dat zijn overgrootmoeder in Auschwitz is omgebracht. Alleen al de suggestie dat die gebeurtenis iets met zijn omvangrijk vaderschap te maken heeft, staat mij tegen.

Beijen komt uit een generatie die zich als zaaddonor nog van anonimiteit verzekerd wist. Die generatie ken ik wel een beetje. De (jonge) man ging destijds naar zo’n kliniekje, waar hij werd achtergelaten in een kamer met een stapel pornoboekjes. En dan maar masturberen. En je kwakkie opvangen. Voor vijftig gulden. Wie eraan meedeed, vertelde er lacherig over, maar ik neem graag aan dat Beijen het uit idealisme voor niets deed. 

Mij heeft dat altijd een bijzonder armoedige manier van voortplanting geleken. Dat sommige vrouwen per se een kind willen kan ik mij voorstellen, maar dat er ook mannen zijn die via de trekharmonica op zo’n onpersoonlijke wijze hun eigen vruchtbaarheid willen bewijzen, is voor mij minder begrijpelijk. Het is een vorm van narcisme, die elke eigen verantwoordelijkheid uit de weg gaat.

Sinds 2004 mag de man niet meer anoniem zaad doneren. Die wet is kennelijk ook zo begrepen dat donoren van vóór 2004 eveneens hun anonimiteit kwijt kunnen raken. Het recht van kinderen om te weten wie je vader is, weegt zwaarder dan de privacy van de vader. In het geval van de vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat (1927-2017), die zijn eigen zaad rondsproeide, werd de vader ook letterlijk de dader. Een rechter gaf de donorkinderen gelijk bij het opheffen van de privacy en er is zelfs geschermd met schadevergoeding. Vermoedelijk dacht dokter Jan dat zijn eigen zaad hoogopgeleid was, en dat het zodoende met al die kinderen wel goed zou komen. Vermoedelijk had hij daar ook nog gelijk in en in hoeverre zijn de nazaten dan benadeeld? Wat dokter Jan deed, vloeit bijna logisch voort uit het hele systeem. Het is niet voor niets een thema in talloze Hollywoodfilms: zaaddonor gaat op zoek naar zijn 533 kinderen. Het Guinness Book zal het record vast wel bijhouden.

Bijna altijd gaat het dan om comedy’s, maar de werkelijkheid is vast treuriger. Erik Beijen was 45 jaar, toen hij zich in dat kamertje begon af te trekken. Als hij echt had gewild, had hij anoniem kunnen blijven, maar dat wilde hij niet. Hij ging actief op zoek, met als gevolg dat hij op zijn 72ste zit met zeven à acht kinderen, van wie hij geen enkele zelf heeft opgevoed. Wel kan hij er na 26 jaar over opscheppen in de krant en er chic over doen.

Beijen beziet alles vanuit zichzelf. Hij is ineens gaan fitnessen, omdat hij nog lang van zijn kinderen wil genieten. En hij heeft zelfs een duur telefoonabonnement genomen. Het leven van een zaaddonorvader is een dure en vooral ook een wrange grap.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden