Column Eva Hoeke

Het was wachten op de val van mijn dementerende Schoonmoeder

Beeld Valentina Vos

Omdat ik toch in Arnhem was reed ik rond het middaguur door naar Velp, naar het huis van mijn 88-jarige Schoonmoeder. Boterhammetje eten, even bijkletsen, en dan maar zo onopvallend mogelijk om het hoekje gluren van de badkamer en de koelkast, om het hoekje van een leven dat in theorie nog wel, maar in praktijk allang niet meer autonoom is.

Sinds er vasculaire dementie en beginnende alzheimer bij haar was geconstateerd, was ze gestaag achteruitgegaan. We kenden de eindeloze herhalingen al, de apparaten en pincodes die zich tegen haar hadden gekeerd, maar de meest in het oog springende verandering was wel die nieuwe vrouw geweest die zich in haar had genesteld, een wat narrig mens dat de lieve oma van weleer op momenten rücksichtslos verdrong en zich vanuit mijn Schoonmoeders lievelingsstoel luidkeels zat te ergeren aan de kinderen, aan haar zoon, aan mij, aan iedereen eigenlijk. Het hoorde erbij, zeiden ze, en we namen het gemopper ook geen moment persoonlijk, laat staan kwalijk, maar vrolijk werd je er niet van. En wij niet alleen. 

De mensen bij wie ze aanbelde deden soms de deur niet meer open, ze hadden hun eigen problemen. Wanneer ze op straat half bezorgd half bevelend vroegen of ze eigenlijk nog wel thuis kon wonen, stonden we met de mond vol tanden – welk kind haalt zijn moeder weg uit haar vertrouwde omgeving, het huis waar ze kinderen kreeg, een goed huwelijk had, gelukkig was? Het wachten was op de eerste val, een échte val, een val die de ingekochte zorg ook niet meer dragen kon, en dan, heel misschien… ‘Bel maar niet van tevoren’, had de Man, haar zoon, tegen me gezegd. ‘Dan maakt ze zich meteen druk.’ Daarna, geruststellend: ‘Ze is toch wel thuis.’

Maar mooi dat ze niet opendeed, die middag. Ik belde aan, keek door het raam, riep door de brievenbus, liep om het huis, maar geen teken van leven. Ik negeerde de gedachte dat ze dood in de keuken lag want waarschijnlijk lag ze gewoon te slapen, of had ze haar gehoorapparaat niet in, zoals al die andere keren. En inderdaad, toen ik haar de volgende dag aan de telefoon had zei ze dat ze zich niet lekker had gevoeld en naar bed was gegaan. Daarna: ‘Ik zal even voor je opendoen.’ Nog voor ik kon roepen dat ik niet nu, maar gíster op de stoep stond had ze al opgehangen.

En zo verstreek de week.

En nog één.

En toen kwam de val, dé val, ze had zelf nog wel op de rode knop kunnen drukken. De eerstvolgende keer dat we haar zagen was ze in het ziekenhuis, waar ze met een gebroken schouder en pols in een grote stoel zat die zo was geparkeerd dat ze er niet uit kon opstaan, geen overdreven maatregel. ‘Ik ga me even verkleden’, zei ze terwijl ze zichzelf met kippenkracht overeind probeerde te hijsen. ‘En als ik weer beneden kom ga ik koffie zetten.’

‘Je bent in het ziekenhuis, mama’, zei de Man terwijl hij haar zachtjes terugduwde. ‘Je kunt hier niet naar boven.’

Zij, geërgerd: ‘Ja, dat weet ik ook wel.’

Zo zaten we een poosje. Tussendoor had ze heldere momenten waarin ze haar gulle zelf was (‘Het personeel is erg aardig, zonder bedillerig te zijn’) en vertelde over de val (‘Geloof mij maar dat het mirakels pijn deed’), maar toen ze voor de miljoenste keer haar mitella afdeed om koffie te gaan zetten en haar zoon haar zuchtend tegenhield kreeg hij nog net geen lel, we moesten er allebei om lachen. Even later viel ze ineens weg, geen slaap maar een sluimerstand, een verwarrende mist waarin haar zoon nog kind was, haar man nog in leven en zij de koningin van de buurt, soeverein en beschaafd, met koffie en koek voor iedereen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden