opinie

Het was een makkie om Nederland te besturen, maar nu blijkt dat we helemaal niet zo goed worden geleid

Toen de coronacrisis begon, kwamen alle oude lijken uit de kast vallen en moesten wij Nederlanders ons positieve zelfbeeld bijstellen, constateert gastcolumnist Mirjam Janssen.

Premier Rutte met de ministers Van Ark en De Jonge tijdens een schorsing van een debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus.  Beeld Freek van den Bergh / VK
Premier Rutte met de ministers Van Ark en De Jonge tijdens een schorsing van een debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus.Beeld Freek van den Bergh / VK

In andere landen was altijd gedoe en gedonder. Als er geen vulkaan uitbarstte, dan hadden ze wel te kampen met een overstroming, een drieste afscheidingsbeweging, een idioot als president, een milieuramp of agressieve buren. Nee, dan Nederland. Dat wist al decennia aan dit soort ellende te ontsnappen. Reden voor Den Haag om het buitenland regelmatig zelfvoldaan de les te lezen. Typerend was de uitspraak van Eurogroepvoorzitter Jeroen Dijsselbloem die in 2017 opperde dat Zuid-Europese politici vooral met ‘drank en vrouwen’ bezig waren.

Onze bestuurders waren van een heel ander kaliber, zo was altijd de suggestie. Onkreukbaar, degelijk en zo bekwaam dat ze zelfs vulkaanuitbarstingen wisten te voorkomen. In werkelijkheid was het natuurlijk een makkie om Nederland te besturen. Het was een rijk, veilig land met een gedweeë bevolking, een populistische oppositie die zichzelf steevast buiten spel zette, zonder woeste separatisten en met schatten van buren. Een knus hoekje waar nooit iets gebeurde.

Lussen en knopen

Eigenlijk was er voor beleidsmakers weinig te beleven. Daarom bedachten de boven ons gestelden zoveel mogelijk bestuurlijke lussen en knopen, om in vredesnaam maar iets te doen te hebben. Ze bereidden het land voor op een toekomst die alleen in rapporten bestond. Beleid maken draaide om de intentie en niet om de uitvoerbaarheid, het was in de eerste plaats een rituele en geen praktische handeling. En voor de enkele bestuurder die zelfs dat boven z’n pet ging, was altijd nog het voorzitterschap beschikbaar van een overkoepelende koepelorganisatie.

Maar toen kwam corona en begonnen er steeds meer lijken uit de kast te vallen: de toeslagenaffaires, de woningnood, het verwaarloosde onderwijs, de wankelende zorg. Geleidelijk bleek dat Nederland helemaal niet zo goed wordt geleid, dat al die bestuurlijke lussen en knopen meer problemen hebben gecreëerd dan opgelost.

Dat werpt een andere licht op ons land, maar ook op de rest van de wereld. Misschien zijn de bestuurders van Italië, Rusland, het Verenigd Koninkrijk of Israël helemaal niet zoveel slechter dan de Nederlandse. Misschien is het gewoon veel moeilijker om in die landen de baas te zijn. En nog pijnlijker: misschien zijn dit soort landen door de werkelijke problemen die ze jarenlang hebben moeten oplossen beter voorbereid op een echte crisis.

Je zou verwachten dat dit Den Haag tot nederigheid zou stemmen, maar dat is niet het geval. Veel politieke partijen pleiten inmiddels voor een grotere overheid. Het klinkt veilig: terug naar de tijden van Vader Drees en Joop den Uyl, die het onwetende en ongewassen volk de paradijselijke verzorgingsstaat binnenleidden. Maar het is van een deprimerende zelfoverschatting. Waarom zou de overheid nu wel goed functioneren?

Beroepsvergaderaars

De voorstanders van een grote overheid maken bovendien altijd dezelfde denkfout: ze gaan ervan uit dat het bestuur na uitbreiding voor altijd zal zijn zoals het hun goeddunkt. Voor eeuwig sociaal, inclusief en duurzaam. In de praktijk betekent meer overheid vooral meer ruimte voor beroepsvergaderaars, verandermanagers en spindoctors. Die hebben belang bij zoveel mogelijk bestuurlijke omwegen, zodat er van alles te coördineren, te veranderen en te communiceren valt. Hun belang valt zeker niet samen met het landsbelang.

De mislukkingen zouden juist tot een minder ambitieuze overheid moeten leiden. Die kan beter een paar zaken goed regelen, zoals degelijk onderwijs, toegankelijke zorg en meer huizen, dan het ene na het andere oeverloze project beginnen. Daarom tot slot een vraag. Wie gelooft nog serieus dat onze bestuurders het klimaat de goede kant op kunnen sturen? Wees eens eerlijk.

Mirjam Janssen is historicus en journalist. Ze schreef het boek Liefde in de Lage Landen. Een portret van Nederland in 15 huwelijken. In de maand februari is ze gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie.

Mirjam Janssen
 Beeld nvt
Mirjam JanssenBeeld nvt
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden