Het vluchtige idool: hedendaagse idolen moeten inspireren en bereikbaar zijn

Waar stervelingen vroeger vereerd werden uit nederigheid moeten idolen nu inspireren en bereikbaar zijn. Maar wie zijn volgers teleurstelt, wordt razendsnel verstoten.

Beeld Rhonald Blommestijn

Als idool is de dalai lama verre te verkiezen boven een kickbokskampioen of een gedrogeerde hardrocker. Toch verbaasde ik mij nogal over de verering die de geestelijk leider van Tibet in 1986 tijdens zijn eerste bezoek aan Nederland ten deel viel. Op aansporing van enkele vrienden die zich eerder tot het boeddhisme hadden bekend, woonde ik een lezing van Zijne Heiligheid bij in de RAI. Van de inhoud daarvan die lezing heugt mij, 31 jaar later, niet meer zoveel. Ik meen mij te herinneren dat de spreker op ontwapenende wijze vertelde over de fascinatie die in zijn jeugd van speelgoedautootjes was uitgegaan.

Wat mij vooral is bijgebleven, is de staat van verrukking waarin de minzame man in purperen gewaad zijn toehoorders bracht. Op veler gezichten was een serene uitdrukking verschenen. Er werd uitbundig gelachen als de dalai lama dat deed, of als de hij een grapje maakte. Mij verbaasde dat enigszins. Want zo leuk vond ik die grapjes eigenlijk niet. Maar dit leek meer mijn probleem dan dat van mijn schuddebuikende omstanders: kennelijk sta ik onvoldoende open voor spirituele vreugden.

Die indruk werd versterkt tijdens een nazit in besloten kring. Ikzelf kwam bij de exegese van de voordracht niet veel verder dan 'heb mededogen met mens en dier', maar de overige aanwezigen wekten de indruk dat ze nooit eerder zoveel wijsheid en liefde hadden ondervonden. En ik benijdde hen daarom.

De daarop volgende weken woonde ik dus met enige regelmaat lezingen van Tibetaanse lama's bij in voormalig spiritueel centrum De Kosmos. Maar de ontvankelijkheid voor het Tibetaans boeddhisme wilde maar niet ontluiken. Integendeel. Gaandeweg groeide mijn ergernis over de adoratie voor de kale mannen met hun exotische namen en over de pikorde die rondom hen werd opgetrokken. Zo maakte een tolk onderscheid tussen slimme vragen, die hij aan de wijze wilde voorleggen, en domme vragen, waarmee hij zijn hoge gast niet wilde belasten. Een van de vragen die naar de prullenbak werden verwezen: heeft een weldoorvoede huiskat meer kans op een wedergeboorte als mens dan een straatkat, wiens lot het was om muizen te doden? Ik had het best willen weten, maar de tolk beschikte anders. Sindsdien heb ik het Tibetaans boeddhisme maar gelaten voor wat het was.

Wat mij tijdens de Nederlandse tournee van de dalai lama in 1986 duidelijk is geworden, is dat mensen een grote behoefte hebben aan heiligen en idolen. Daarvan kunnen we ons ook geregeld vergewissen bij een programma als DWDD. De dood van David Bowie werd prompt aangemerkt als het 'waar-was-jij-toen-Kennedy-werd-vermoord-moment' van iedereen die in de jaren zeventig was gesocialiseerd. De verering die postuum over hem werd uitgestort, strekte zich uit tot zijn zwanenzang - zijn album Blackstar, dat bij verschijnen nog een gereserveerd onthaal had gekregen. Met elke herinnering waarin Bowie op enigerlei wijze figureerde, werd opzichtig gepronkt. Alsof iedereen de overledene had gekend en nu dus persoonlijk deelgenoot was van het verlies. Idolatrie en narcisme gaan hand in hand.

Overmaat aan respect

Hooggeleerde gasten van DWDD, zoals Beatrice de Graaf, Erik Scherder, Herman Pleij en met name Robbert Dijkgraaf worden met een overmaat aan respect bejegend. En Jan Terlouw - zeker zo minzaam als de dalai lama - valt geregeld een devoot vertoon van eerbied ten deel. Welbeschouwd is op zijn verhaal over het touwtje uit de brievenbus wel wat aan te merken. 'In huizen met een touwtje uit de brievenbus viel niks te halen', commentarieerde voormalig SCP-directeur Paul Schnabel. 'En moeder stond altijd in de keuken.' Terlouw riep een verleden in herinnering dat zo nooit heeft bestaan, en hij ging eraan voorbij dat het sociaal vertrouwen in Nederland, volgens het SCP, niet noemenswaardig is afgenomen sinds de tijden waarover hij sprak.

Al deze bedenkingen doen geen enkele afbreuk aan de oprechte waardering voor zijn betoog. Die hangt samen met de broosheid van de spreker, met diens rimpelloze voordracht en met de doeltreffende metafoor van het touwtje. Maar Terlouw voorzag vooral in de behoefte aan een verhaal - een verhaal met perspectief - over onze samenleving. Of dat verhaal klopt, doet minder ter zake. Hij vervult ons, in tijden van werkelijke en gevoelde rampspoed, met welbehagen. Alleen zeurpieten en nestbevuilers doen moeilijk over het hoge romantische gehalte van het verhaal van Jan Terlouw.

Tutoyeren

Verering van eerbare stervelingen is van alle tijden. Maar vroeger werd er vooral de eigen nederigheid mee tot uitdrukking gebracht ten opzichte van mensen die een bijzondere achting genoten. Zo prees mijn grootvader een predikant in zijn woonplaats Hilversum aan als 'geweldenaar'. Dat huiveringwekkende woord riep bij mij het beeld op van Simson die eigenhandig de tempel van de Filistijnen sloopt. De predikant was dus een onbereikbare en onbenaderbare grootheid. Niet iemand met wie je je op gelijke hoogte mocht wanen.

Nu is dat anders. De hedendaagse idolen moeten inspireren en ze moeten binnen het bereik van hun volgers liggen. Mensen trekken zich aan hen op. Ze tutoyeren hun helden zodat ze onderdeel worden van hun heldendom. Iets van die camaraderie klinkt door in de jofele gesprekken die Bert Maalderink in de catacomben van voetbalstadions voert met coaches en sterspelers. Mart Smeets ontwikkelde zich tot voorganger van de eredienst voor grote sporters en werd hierdoor zelf idool, onder meer in de ogen van Matthijs van Nieuwkerk, die, godbetert, in een onbewaakt ogenblik voorstelde Mart met een lifetime achievement award te verblijden (alsof hij die in eigen ogen niet allang heeft).

Zo'n uitwisseling van loftuitingen kan leiden tot verdwazing. Ze doet een beroep op het kuddegedrag, waarin de mens - er zijn tenslotte meer volgers dan leiders - toch al snel vervalt. Idolatrie, die in nuchterder tijden dan de onze als ziektebeeld werd aangemerkt, staat snel op gespannen voet met de ratio. Idolatrie past niet bij een samenleving waar mensen worden geacht voor zichzelf te denken.

Dat neemt niet weg dat het idool is vermenselijkt. Hem wordt geen onfeilbaarheid meer toegedicht - behalve in de Noord-Korea's van deze wereld. Daardoor is de verering die hem ten deelt valt ook voorwaardelijk en begrensd. 'Voor dweeplust of het uitgroeien tot een idool (worden) allang geen grootse prestaties, uitzonderlijke moed of een voorbeeldige levenswandel meer gevraagd', betoogde socioloog en SCP-onderzoeker Joep de Hart in het essay Voorbeelden & nabeelden. Op zijn beurt citeerde hij NRC Handelsblad: 'Tegenwoordig is het simpele figurantendom in een soapserie al genoeg om tot de schare der bewonderden te worden gerekend.'

De afstand tussen de fan en zijn idool mag groot maar niet onoverbrugbaar zijn, idolen van nu moeten mogelijkheden bieden voor identificatie. Dat is anders dan de heiligen van vroeger, die het mens-zijn waren ontstegen. Zoals Johan Cruijff in de observatie van Ilja Leonard Pfeijffer, die in 2012 in Vrij Nederland een ode opdroeg aan de voetballer, ter gelegenheid van diens 65ste verjaardag. 'Nu ik terugdenk aan voetballen op veldjes in de buurt, besef ik iets opmerkelijks. Tijdens het voetballen moest je altijd iemand zijn. Dat sprak je van tevoren af. Iedereen wilde altijd Rensenbrink zijn, of Van Hanegem, maar het was ook volslagen acceptabel om Willy van de Kerkhof te zijn, of Ruud Krol of zelfs Wim Suurbier. Maar niemand was ooit Cruijff. Dat mocht niet. Dat was onacceptabel. Dat was heiligschennis.' Wie op het trapveldje geen Cruijff mag zijn, mag ook geen kritiek uiten op 'de grootste voetballer die Nederland ooit heeft gekend'. Cruijff was het idool voorbij, en hij gedroeg zich daar uiteindelijk ook naar. Het is hem niet eens aan te rekenen.

De mens is van nature een volger. Onder aanvoering van een leider hoopt hij grazige weiden en grote hoogten te bereiken. In gezelschap van andere volgers. Want mensen lopen, volgens psycholoog Mark van Vugt in zijn boek De natuurlijke leider, niet zozeer achter een leider aan, maar achter de massa die de leider volgt. De massa biedt hun beschutting en een identiteit. En onderdeel van die identiteit is de collectieve bewondering voor de leider. Volgens socioloog Cas Wouters voorziet het idool in de menselijke behoefte aan een gemeenschap die verder gaat dan de eigen kring. Sigmund Freud zag dweepzucht als uiting van verlangen naar een vader.

Publieke emoties

In de dood wordt het idool groter dan hij bij zijn leven is geweest. Dat hebben bijvoorbeeld de sociaal-anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis ('Us Ferlosser') en Pim Fortuyn ('Sint Pim') met elkaar gemeen. Maar, schrijft Joep de Hart, 'in de dagen van Domela Nieuwenhuis gaf men aan collectieve emoties privaat uitdrukking, in het Hazes-tijdperk worden individuele emoties publiekelijk geuit. (...) Waar voorheen vooral de publieke betekenis van de bekende overledene werd benadrukt, wordt vandaag de dag gereageerd alsof men een persoonlijk verlies heeft geleden.' Rondom de baar van Domela Nieuwenhuis werd de 'loden droefenis' in verenigingsverband beleden. Bij de uitvaart van Pim Fortuyn verzamelde zich 'een amorfe massa (...) grimmig en in wilde devotie in de straten van Rotterdam'.

De emoties die de dood van een idool oproept, zijn vluchtiger dan vroeger, toen een maatschappelijke zuil zich over zijn nagedachtenis ontfermde. Nu vormen de rouwenden 'lichte gemeenschappen' die, net als de schare Oranjefans na een WK voetbal, snel desintegreren. Nog eenmaal geven ze massaal en met grote overgave uiting aan hun gevoelens, daarna gaan ze weer over tot de orde van de dag. Totdat zich een volgende gebeurtenis voordoet die mensen voor korte tijd bij elkaar brengt.

De moderne idolatrie is vluchtig omdat ze niet zozeer betrekking heeft op een persoon, maar op het beeld dat volgers zich van die persoon hebben gevormd - zoals in het Oude Testament het heilige werd vervangen door een beeld van het heilige. En wie zijn volgers in hun al dan niet gegronde verwachtingen teleurstelt, wordt in een mum van tijd uit de publieke gunst verstoten. Soms vormt idolatrie naderhand een bron van gêne. Of wordt met overgave op het graf van het gevallen idool gedanst. Bill Cosby werd na enkele onthullingen over seksueel wangedrag gedegradeerd van voorbeeldig familieman tot belichaming van zo'n beetje alle hoofdzonden. Een recente documentaire over Cosby's Britse evenknie Jimmy Savile had als kernvraag: hoe hebben zoveel mensen zo'n slecht mens zo lang kunnen vereren? Het antwoord luidde, enigszins omfloerst: omdat hij werd vereerd.

Barack Obama staat, met de impopulairste president ooit als opvolger, weliswaar nog steeds in hoog aanzien, maar hij stelde zijn vereerders wel teleur met de royale verzilvering van zijn hoedanigheid van elder statesman. Elke president - Jimmy Carter uitgezonderd - casht na afloop, maar van Sint Barack werd het niet verwacht. Hetgeen misschien meer zegt over de verwachtingen van het publiek dan over zijn gedrag.

Beeld Ronald Blommestijn

Maar een idool hoeft zich niet eens te misdragen om uit de gunst van zijn volgers te raken. Die kunnen ook zomaar, van de ene dag op de andere, op hem uitgekeken raken. En een idool dat zichzelf heeft overleefd, is geen idool meer. Dat lot is bijna onafwendbaar voor elke BN'er die niet in de gaten heeft wanneer zijn houdbaarheidsdatum is verstreken. Dan vindt iedereen hem opeens niet meer goed en is zijn val een bron van publiek vermaak. Want de mens is van nature een volger. Als de massa naar een idool trekt, maar ook als de massa zich van het idool afwendt.

Idolen die hun ereplaats in de geschiedenis al hebben ingenomen, zijn immuun voor deze wisselingen in de gunst. Helmut Kohl was mogelijk een onaangenaam mens, maar is blijvend bijgezet in het Pantheon van grote Europeanen. De conduitestaat van Winston Churchill en Nelson Mandela is in graniet gehouwen. En de dalai lama is bij zijn leven al een heilige. Niet alleen volgens de loyale Tibetanen, maar ook volgens de talrijke Nederlanders. Bij een volgend optreden in de RAI zal hij de lachers weer op zijn hand hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.