Column Sheila Sitalsing

Het ultieme boek over bullshitjobs is allang geschreven: Het Bureau van J.J. Voskuil

David Graeber, antropoloog, schreef een paar jaar geleden een geestig essay over bullshitjobs, nutteloze banen waarin het verplaatsen van lucht de voornaamste activiteit is. Het had succes, want iedereen kent wel iemand die door de kantoortuin schuifelt en van wie gefluisterd wordt: hij neemt kaarten uit een bak, en als hij die eruit genomen heeft, doet hij ze er weer in.

Succes baart succes, dus legde Graeber de deegroller over zijn essay en rolde het uit tot een goed verkopend boek over onzinbanen, gelardeerd met anekdotes (thuis rekenen we deze boekjesmultiplier tot de ijzeren wet van de bullshiteconomie: een mens kan nooit gewoon eens iets aardigs maken en het daarbij laten; altijd moet er een vervolg komen om de zaak uit te melken). En daar begonnen de problemen, want de aantallen die Graeber in zijn boek noemt – liefst 37 tot 40 procent van de banen in het Verenigd Koninkrijk en in Nederland zouden bullshitbanen zijn, het fenomeen zou hand over hand toenemen – wekken bevreemding, al is het maar omdat het in dat geval allang faillissementen zou regenen.

Ik was dan ook blij met het interview dat Jonathan Witteman, verslaggever van de Volkskrant, had met Graeber. Afgelopen zaterdag stond het in de krant en Witteman stelde de goede vragen: hoe komt u aan die getallen, hoe betrouwbaar zijn de peilingen waar u zich op baseert, heeft u ook gezocht naar mogelijk bewijs dat deze cijfers zou kunnen ontkrachten, het CBS komt op andere cijfers uit, de mensen die u enthousiast benaderen over hun eigen bullshitjobs en naar uw lezingen komen zijn zelfaanmelders en zelfaanmelding zegt weinig over de omvang van het probleem, kortom: overdrijft u niet een beetje?

Vragen waar je over hebt nagedacht, als je 283 pagina’s tekst plus een notenapparaat van 38 kantjes hebt afgeleverd en op de kaft hebt laten zetten dat zinloos werk toeneemt. Vragen die ertoe doen, want als we hier een groot maatschappelijk probleem bij de kop hebben, is het zaak om aard en omvang zo precies mogelijk in het vizier te hebben.

Maar Graeber werd boos. Na negen minuten gesprek al. Hij ging kribbig roepen ‘dit is helemaal geen interview of wel?’ en liep weg. Om later, na een herstart van het vraaggesprek, te concluderen dat ‘statistieken uit arbeidsenquêtes niets te betekenen hebben. Mensen winkelen hoe dan ook selectief in de cijfers.’ Pfffft, deed de leeglopende ballon van de antropoloog.

Aan andere problematische kantjes die aan de theorette over bullshitbanen zitten, kwamen interviewer en geïnterviewde niet toe. Ik noteerde voor mezelf: het ontbreken van een theoretisch raamwerk om het fenomeen te kunnen analyseren. Ik noteerde voor mezelf: de definitiekwestie. Want bullshitjobs worden omschreven als banen waarvan degene die ze vervult zelf het nut betwijfelt. Een wankele definitie die meer zegt over ontbrekend werkplezier dan over objectief nut of toegevoegde waarde.

Wat niet hoeft te betekenen dat er geen onzinbanen bestaan. Het ultieme boek daarover is allang geschreven, door J.J. Voskuil, ook al over antropologisch onderzoek. Het handelt over Maarten Koning die zich op het Bureau onder meer wijdt aan het bestuderen van de rituelen rond de nageboorte van het paard ten behoeve van de Atlas voor Volkscultuur. Koning heeft één grote zekerheid: dat dit alles volstrekt zinloos is.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.