Laat het stoppenEmma Curvers

Het tiny house is het stockholmsyndroom van de woningmarkt

Niet alle moderne verschijnselen hoeven we goed te keuren. Er zijn zaken waar we ons tegen kunnen, nee móéten verzetten. Deze week wil Emma Curvers dat we stoppen met het gedweep met tiny living

Ik woon klein. Erg klein. Micro, zou je mogen stellen, of gewoon compact. Als de visite rondkijkt, want een beetje visite past er net bij, zeggen ze: ‘knus’, ‘snoezig’, of: ‘o schattig, een tiny house.’ Dat laatste wringt een beetje, en niet alleen omdat ik nooit uit mezelf heb gedacht: doet u mij een zo krap mogelijk huis. Tinyhousebewoners omarmen het klein-kleiner-kleinst als lifestyle, vanuit hun duurzame idealen – ik omarmde gewoon het enige huis dat ik kon krijgen, ongeacht de ecologische voetafdruk.

We zien ze al pak ’m beet vijf jaar langskomen, die tinyhousebewoners, in reportages en documentaires, waarin hele gezinnen trots laten zien hoe ze een dwergkeuken, poppeslaapkamer en microliving in elkaar hebben gevouwen. Het autarkische hutje doet het prachtig als idealistische inspiratie voor de ordinaire vervuiler thuis: bewoners vertellen over de verlossing die ze voelden toen ze hun leven tot de essentie hadden teruggebracht, en slechts drie boeken en een wand van groen korstmos overhielden. Ze zeggen dingen als: ‘De wereld is mijn achtertuin’, of: ‘Ik hecht meer aan ervaringen dan aan bezit’ – ja, u hoort hier de afgunst van een ongeneeslijke materialist, en zeker ook bewondering: de échte tinyhousebewoner heeft iets (meer dan ik) over voor zijn idealen.

Toch lijkt de keuze voor tiny niet altijd honderd procent gemotiveerd door liefde voor Moeder Aarde, en daar wordt het begrip drassig. Ik las het relaas van een 28-jarige tinyhousebewoonster die met haar flexcontract kansloos was op de woningmarkt. Gevalletje van de nood een duurzame deugd maken dus, waarbij je het instagramwaardige sfeertje erbij krijgt als pleister op de wonde. Het miniwonen wordt intussen geromantiseerd alsof elke starter snákt naar minimaal en nog meer metertjes eraf. Er zijn, lees ik in de folder van een projectontwikkelaar die tiny houses bouwt, wel 700.000 mensen die geen huis kúnnen kopen.

Tiny is een leuke markt dus, voor wie opgeleukte woonwagens wil verhuren aan starters, studenten en statushouders, voor 700 euro per maand. Veel tiny houses in Nederland staan niet op een weide vol klaprozen, maar op braakliggende terreinen, waar later échte huizen verrijzen. Dan zijn termen als tiny house of microloft toch een beetje de lifestylevlag op een modderschuit. In dat licht is het gedweep met tiny living het stockholmsyndroom van de woningmarkt. De meeste mensen willen vast wel duurzaam wonen, maar toch vooral een leefbaar aantal meters en muren. Je zou hopen dat er een duurzame middenweg bestond, voor wie privacy en aansluiting op het riool geen overbodige luxe vindt.

Speaking of riool, veel van mijn vragen over het leven als tinyhousebewoner zijn nog steeds onbeantwoord. Wat doen de bewoners, bij het ontbreken van een hall of shame, bij flatulentie? Wil het neuken een beetje lukken in die bedstee boven het keukentje, als de kinderen beneden zitten te micro-influencen op de uitklapbedbank? En als zij de puberende leeftijd bereiken, waar worden zij geacht hun manuele oefeningen te doen? Waar slaat de tinyhousebewoner in alle rust de hand aan zichzelf? De tinyhousebewoner verklaart graag verlicht te zijn door het minimalisme, maar het vleselijke bestaan lijkt voor het gemak óók te zijn geminimaliseerd.

Terwijl: net zoals we voor de olifant hebben bepaald dat-ie een zekere bewegingsruimte nodig heeft voor een olifantwaardig bestaan (167 vierkante meter, lees ik), hebben we voor de mens standaarden voor een menswaardig bestaan. In de 19de eeuw vonden verhuurders ook dat mensen met 10 vierkante meter per persoon wel toe konden – nu was dat overdag misschien nog wel te doen, want de kinderen gingen óók om zes uur naar de fabriek met hun broodtrommel en sjekbuidel onder de arm, maar toch: de mensen gaven elkaar tuberculose, joegen elkaar de tiny tent uit en de kroeg in, en werden (dit vul ik even in) ernstig seksueel gefrustreerd.

Daarop is voor de moderne mens iets moois bedacht, namelijk de Woningwet van 1901, waarna woningen werden gebouwd waarin het volop genieten was van binnenmuren en -deuren. Die gezinnen in dat hutje, vooral de puberkinderen die van papa en mama moesten microwonen, spreek ik over tien jaar graag nog eens over de duurzame oplossing. Desnoods anoniem.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden