Column Stephan Sanders

Het politieke blok waarop wij Nederlanders dachten te steunen is verbrokkeld; Ramdas confronteerde me met de snelheid en achteloosheid waarmee dat ­gebeurde

Uit de doden opgestaan. Er gebeurt iets magisch en schokkends, wanneer ­iemand die je goed hebt gekend, iemand die overleden is, weer tot leven wordt gewekt. Van stokstijf dood naar bewegend beeld. In de documentaire wereld is zoiets dagelijkse kost. Ik zag de voorpremière van Anil Ramdas –nooit meer thuis, gemaakt door Paul Cohen, die wordt uitgezonden op 2 mei aanstaande, NPO 2. Anil Ramdas (1958-2012), de schrijver, essayist en programmamaker was bij leven, niet altijd bij welzijn, de man met wie ik een langlopende, intensieve en ook soms moeizame vriendschap heb onderhouden. Onze betrekking leek op het laatst op een slepend huwelijk. Nee, geen seksuele perikelen: dat is ons ­bespaard gebleven.

Ik zette me van tevoren schrap voor die film, ik wist dat die me zou emotioneren, op z’n rechtstreekse, niet gesublimeerde manier. Dat was ook zo, maar het uiteindelijke resultaat bleek zo veel completer dan ik had durven hopen.

In de film zitten ook archiefbeelden, uit Suriname, waar Ramdas ­geboren werd en opgroeide, en ook van gesprekken en interviews die hij gaf voor de Nederlandse tv. Hoogtepunt is ongetwijfeld de Zomergasten-af­levering uit 1992, waar Anil urenlang, als een begripvol en begaafd docent zijn levens­beschouwing uiteenzet. Hij was daar op zijn best. Losjes, intellectueel, stralend en van een wereldwijsheid, die in Nederland niet vaak voorkomt. Zo geeft hij commentaar op het koloniale verleden, waar hij als Surinamer een staartje van mee heeft gekregen. Hij ziet alle schaduwzijden van dat fenomeen, maar daarnaast is hij in staat ook de ‘beschavingsmissie’ te benoemen, die de koloniale machten – vaak huns ondanks – vervulden.

Het Westen als boosdoener, maar toch ook: het Westen als enig mogelijk referentiepunt. Nogmaals, we schrijven 1992, de Muur is net gevallen, de liberale rechtsstaat lijkt zich op te maken voor een triomfmars over de hele wereld. Juist de voormalig gekoloniseerden, zegt Anil met zoveel woorden, hebben een standaard nodig. Want ‘alles wat je tegen het Westen wilt ­inbrengen, zal je in het Westers moeten zeggen’. Ik parafraseer, en Anil deed dat ook al, naar de woorden van de socioloog Abram de Swaan.

Mijn schok bestond hieruit: in 1992 bestond er nog zoiets als ‘het Westen’: het was duidelijk waar het voor stond, wie erbij hoorden (heel Europa, de VS, etc.) en wie niet (Rusland, China). Er leek geen alternatief te zijn voor deze westerse beschavingsmissie. Nu, 27 jaar later, is dat idee verdampt. Het autoritaire, ­Chinese ­systeem, Rusland, het enthousiasme voor ‘illiberal democracies’ als in Hongarije, de onrechtsstatelijke tendens in Brazilië en Amerika. Tijdens mijn leven is het solide, politieke blok waarop wij Nederlanders dachten te steunen, verbrokkeld. Ramdas confronteerde me met de snelheid en achteloosheid waarmee dat ­gebeurde.

Op dit moment trek ik, net zoals andere collega’s, door het land om zogenaamde Vrijheidscolleges te geven, in aanloop naar 4 en 5 mei. Het idee is gebaseerd op de beroemde toespraak, die bekend is geworden onder de naam ‘Four Freedoms’. De Amerikaanse president Franklin ­Delano Roosevelt hield haar op 6 januari 1941 voor het Amerikaanse Congres. Let wel, Amerika was nog niet betrokken bij de Tweede Wereldoorlog, dat zou pas gebeuren na de aanval op Pearl Harbour (7 december 1941). Maar Roosevelt moest niets hebben van de isolationistische ‘America First’-beweging, die toen in zijn land floreerde, zoals dat nu trouwens weer het geval is. In zijn speech ontvouwt Roosevelt een wereld­omvattend plan, een standaard voor beschaving, die er ­later ook is gekomen in de VN Verklaring van de Rechten van de Mens. Was het niet dankzij Roosevelts visie en volharding ­geweest, Nederlanders hadden niet gezongen van ‘Trees heeft een Canadees’, want zonder Amerika’s steun was die Canadees hier hoogstwaarschijnlijk nooit geweest.

Nu worden we geconfronteerd met een wereldwijde relativering van de vrijheden die Roosevelt benoemde: de vrijheid van spreken en van godsdienst, de vrijwaring van gebrek en van vrees. De vrijheid, zeker die van de individuele burger, moet plaatsmaken voor efficiëntie, de grove, planmatige aanpak, de Amerikaanse belangen en die van China, ook als die belangen nauwelijks samenvallen met die van de burgers uit die landen.

Lang hadden die woorden van Roosevelt iets braafs, iets van ‘nooit meer oorlog’.

Newsflash: ze zijn urgenter dan ooit.

Stephan Sanders is journalist en ­columnist

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.