Column Heleen Mees

Het oorlogsverleden van Museum Boijmans Van Beuningen

Afgelopen weekend sloot de tentoonstelling in het ­Rotterdamse museum ­Boijmans Van Beuningen over het eigen verleden in de Tweede Wereldoorlog en de periode vlak daarna. Die tentoonstelling over het eigen oorlogsverleden was nodig omdat directeur Dirk Hannema ­tijdens de oorlogsjaren gemene zaak maakte met de Duitse bezetters. Bovendien verkocht de naamgever van het museum, Daniël van Beuningen, kunstwerken die hij zelf voor een schijntje van de Joodse bank Lisser & Rosenkranz had verkregen aan Hitler. Het gaat om werken uit de zogenaamde Koenigs­collectie.

De Koenigscollectie is een verzameling meesterwerken uit de veertiende tot en met negentiende eeuw, die is bijeengebracht door de zakenman Franz Koenigs. Toen de in Duitsland geboren maar vlak voor de oorlog tot Nederlander genaturaliseerde Koenigs door de Duitse bankencrisis in 1931 in de financiële problemen kwam, leende hij 1,3 miljoen gulden van de bank Lisser & Rosenkranz, die werd geleid door een Joodse directeur en voornamelijk Joodse aandeelhouders had. Koenigs bood zijn verzameling tekeningen en later ook de schilderijen aan als onderpand.

Toen Hitler de rassenwetten van Neurenberg in 1935 aan het Duitse parlement voorlegde, bracht Franz Koenigs zijn collectie met instemming van de bank onder bij Museum Boymans, dat nu Boijmans Van Beuningen heet.

De Joodse directeur van Lisser & Rozenkranz, Siegfried Kramarsky, vluchtte in 1939 voor de nazi’s en ­belandde via Lissabon en Canada uiteindelijk in New York. De aandeelhouders besloten daarop om de bank te liquideren. In dat kader wilden ze de lening aan Franz Koenigs beëindigen en stelden ze een verkoop van de collectie tekeningen en schilderijen voor, hoewel de looptijd van de lening aan Koenigs nog niet was verstreken. Boymans-directeur Dirk Hannema, die de tekeningen en schilderijen van Franz Koenigs op dat moment al vijf jaar in bruikleen had, drong er bij havenbaron en ­mecenas Van Beuningen op aan om de collectie te kopen en die aan het museum te schenken.

Franz Koenigs wilde het museum ook het eerste verkooprecht geven, omdat Hannema hem hielp om ­Nederlander te worden. In 1939 bood Koenigs Hannema daarom de gehele collectie met een geschatte waarde van bijna 6 miljoen gulden aan voor 2,2 miljoen gulden, maar het museum liet niets van zich horen. Pas toen Lisser & Rosenkranz in 1940 was geliquideerd en de Koenigscollectie het land dreigde te verlaten, deed Van Beuningen in april 1940 via ­Hannema een bod van 800 duizend gulden, oftewel minder dan 15 procent van de geschatte marktwaarde.

Hannema vertelde Lisser & Rosenkranz en Franz Koenigs dat ze geen beter bod konden verwachten en dat de Duitsers op de stoep zouden staan als de stukken niet snel zouden worden verkocht. De aan de bank verpande collectie werd daarop binnen enkele dagen aan Van Beuningen verkocht voor 1 miljoen gulden. Vervolgens verkocht Van Beuningen in december 1940 528 van de in totaal 2.140 tekeningen aan Adolf Hitler voor anderhalf miljoen gulden. De voornamelijk Duitse tekeningen waren bestemd voor het Führermuseum, dat gepland was in de Oostenrijkse stad Linz.

Van Beuningens transactie met Hitler bewijst dat hij de werken ver beneden de marktprijs van Lisser & Rosenkranz had verkregen. Immers, Van Beuningen realiseerde niet ­alleen onmiddellijk een winst van 500 duizend gulden, maar bezat ook nog steeds 1.612 tekeningen waar een ongerealiseerde winst in school. Als alle tekeningen ongeveer dezelfde waarde hadden, vormt de verkooptransactie een sterke aanwijzing dat de tekeningen die Van Beuningen voor 1 miljoen gulden van Lisser & Rozenkrans kocht in werkelijkheid bijna 6 miljoen gulden waard waren.

Terwijl Hannema Lisser & Rosenkranz en Franz Koenigs voorhield dat ze blij mochten zijn met de 1 miljoen gulden die ze voor de collectie kregen omdat er geen liquide markt voor kunstwerken was, bewijst de snelle doorverkoop van een deel van de collectie aan Hitler dat die markt er wel degelijk was.

De verkoop van 528 tekeningen aan Hitler is in 1947 teruggedraaid. Nazaten van Franz Koenigs, die in 1941 door een val van een perron in het station van Keulen om het leven kwam, beijveren zich al jaren voor ­teruggave van delen van de collectie.

Hoe kan het dat de naam Van Beuningen nog steeds op de gevel van het museum prijkt?

Heleen Mees is econoom.

Verbetering: In een eerdere versie van deze column schreef Heleen Mees over het Museum Boijmans in de oorlogsjaren. Het heette toen het Museum Boymans, niet Boijmans.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.