Opiniegemeenschapszin

Het Nederlandse ‘wij’ zit in dorpen en regio’s

Het versterken van gemeenschappen gebeurt niet alleen door nationale beleidsmakers, betogen Caspar van den Berg en Frederik van Dalfsen. 

Boeren uit Noord-Holland en Friesland ontmoeten elkaar halverwege de Afsluitdijk. Beeld Hollandse Hoogte / ANP

Zelden in de afgelopen decennia is er zo veel gezegd en geschreven over gemeenschapszin, saamhorigheid en het sociaal contract als in de afgelopen drie maanden. De coronacrisis en de sluimerende spanningen die de pandemie naar het oppervlak haalt, zetten velen aan om opnieuw na te denken over de inrichting van de samenleving en het samen-leven.

Onlangs werd filosoof Gabriël van den Brink geïnterviewd over zijn nieuwe boek Ruw ontwaken uit de neoliberale droom. In dit boek wijst Van den Brink er terecht op dat waar elites de afgelopen dertig jaar voortdurend hamerden op individuele vrijheid, flexibiliteit, innovatie en diversiteit, een groot deel van de samenleving juist meer behoefte kreeg aan saamhorigheid, zekerheid, traditie en een gedeelde identiteit. Ook zijn stelling dat ‘achter de klaagverhalen een roep om burgerschap’ schuilgaat, onderstrepen wij graag. Op twee punten zien wij de analyse van Van den Brink echter tekortschieten.

In de eerste plaats lijkt Van den Brink in dezelfde valkuil te stappen als de populisten die hij bekritiseert, door Nederland als deterministische nationale eenheidsworst te zien. Hij spreekt in zijn boek met regelmaat over ‘de Nederlanders’, ‘de meerderheid’ en ‘wij als samenleving’, en problematiseert dat het ‘ons’ maar niet wil lukken om het ‘verhaal van Nederland’ op een nieuwe manier vorm te geven. Dat zien wij anders. Wij benadrukken dat juist het pluralisme Nederland al eeuwenlang kenmerkt en dat daarbij hoort dat er aanzienlijke verschillen bestaan in waarden en behoeften tussen groepen binnen deze samenleving. Erop hameren dat nationale gemeenschapszin weer over ons neer moet dalen, helpt dan niet. Je kunt beter kijken op welke schaal die gemeenschapszin méér gevoeld wordt en vervolgens díe versterken.

Waar tijdens de verzuiling vooral religie en ideologie de maatschappelijke scheidslijnen bepaalden, wordt diversiteit nu meer zichtbaar langs verschillen tussen gebieden. Economische groei, welbevinden, politieke voorkeur en tevredenheid met ‘het systeem’ worden steeds regionaler bepaald. Van den Brink wijst er terecht op dat de nationale imagined community de afgelopen dertig jaar systematisch ondermijnd is, maar ziet over het hoofd dat in dezelfde ­periode de regionale identificatie op veel plekken in Nederland sterker is geworden.

Steeds manifester

Dat Benedict Anderson zijn notie van de imagined communities in de jaren 1980 ontwikkelde om het bestaan van naties te duiden, dicteert niet dat mensen anno 2020 op zoek zijn naar gemeenschapszin op precies díe schaal. De behoefte aan gemeenschapszin wordt wellicht steeds manifester, maar geldt zeker niet voor iedereen en voor velen is de natie niet de aangewezen schaal. De symboliek en verbindingskracht van nationale saamhorigheid is dus in zichzelf een zaak waarover we verdeelder raken. Dit inzicht heeft naast sociologische ook politieke en beleidsmatige gevolgen: het noopt tot meer regiospecifiek in plaats van generiek beleid, en tot meer aandacht voor verschillende regionale belangen bij het maken van nationaal beleid.

In de tweede plaats blijft het handelingsperspectief van Van den Brink onbevredigend: beleidsmakers zouden gemeenschapszin moeten fabriceren en over mensen moeten uitstrooien. Gemeenschapszin zit vooral in een mentale houding en is in veel mindere mate een beleidsuitkomst. Natuurlijk kan de ene politieke keuze meer aan gemeenschapszin bijdragen dan de andere, maar een bestendig gevoel van gemeenschap moet uit die gemeenschap zelf komen en niet primair van bovenaf geconstrueerd. Met zijn stelling dat hoe langer beleidsmakers inzetten op zelfredzaamheid, des te sterker het verlangen naar gemeenschap toeneemt, zet Van den Brink een wat simplistische kloof neer tussen de overheid en de samenleving: de overheid als dader en de ­samenleving als slachtoffer.

Slimmer is om mensen te ondersteunen om binnen krachtige en behapbare schalen (steden/dorpen en regio’s) te bouwen aan eigenaarschap van de eigen leefomgeving (denk aan dorpscorporaties) en gemeenschapszin. Met lokale, regionale en landelijke overheden die die beweging kunnen versterken en daarop aansluiten. Om zo van onderop en tegelijkertijd van bovenaf stapje voor stapje gemeenschappen te versterken. Dat vergt dus nadrukkelijk initiatief en actie van die gemeenschappen zelf. Achterover leunen en wachten op de overheid lijkt ons de minst verstandige strategie.

Caspar van den Berg is hoogleraar Bestuurskunde aan de RUG, Campus Fryslân. Frederik van Dalfsen is adviseur bij Berenschot. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden