ESSAYsociale media

Het microberoemde bestaan is zo eenvoudig niet

Ja, tieners zijn de experts op het gebied van sociale media. Maar, vindt Kelli van der Waals, oudere generaties moeten ze helpen om niet aan de jacht op het perfecte plaatje onderdoor te gaan. 

Beeld Nathalie Lees

Toen ik Suzy ontmoette was ze 14. Een ­innemend meisje met grote ogen, kleine sproetjes, een prachtige bos oranjebruine krullen en lange ledematen die verklapten dat ze nog in de groei was. Als ze lachte kwam er een slotjesbeugel­ ­tevoorschijn.

Net als de meeste van haar leeftijdgenoten onderhield Suzy een Instagrampagina. Op de foto’s die ze daar plaatste, zag ze er heel anders uit dan het meisje dat ik had leren kennen. Daarop duwde ze haar kin omhoog, stond haar blik scherp en haar mond een beetje open, pinup-stijl. Leek ze veel zelfverzekerder en ouder. ‘Kind, je lijkt wel 20,’ zei haar moeder soms over die plaatjes.

Suzy is een van de tieners die ik de afgelopen jaren heb geïnterviewd en gevolgd voor mijn boek Picture perfect, waarin ik hen aan het woord wilde laten over hun online leven. Er was namelijk veel over hun generatie te doen. Zij zijn de eersten die geen leven zonder internet hebben gekend, en geen middelbare school zonder sociale media. Dat baart oudere generaties nog weleens zorgen, want de werking van technologie is zo mogelijk nog moeilijker te doorgronden dan de zielenroerselen van een puber. In 2017 verscheen iGen van Jean Twenge, waarin de generatie ‘iGen’ werd beschreven als ‘ongelukkig’ en ‘geheel onvoorbereid op het volwassen leven’. De smartphone kreeg van veel de schuld. ­Series, films en artikelen over pubers en technologie schetsten geen rooskleuriger beeld.

Maar aangezien zij de eersten zijn die deze situatie meemaken, zijn ze de enigen die van binnenuit weten hoe dat is. Zij zijn de echte experts. De afgelopen ­jaren vertelden en toonden ze me hoe de eigentijdse puberteit eruitziet, en welke rol de smartphone daarin speelt.

Daarbij viel één ding al snel op: tieners leiden een publiek leven. Soms gaat dat er behoorlijk professioneel aan toe. Ze weten hun foto’s tot in perfectie te manipuleren, met de juiste hoek, houding, make-up, belichting en filters, af en toe nabewerking. Ze weten wat het beste moment is om die online zetten, welk ­sociaal medium ze waarvoor moeten gebruiken, en ze kennen de ongeschreven regels. Sommige 14-jarigen hebben wel duizenden volgers.

Zij kunnen iets wat ik niet kan, beheersen de taal van sociale media uitstekend. Digital natives, zou ik ze haast willen noemen – een veelgebruikt stempel dat impliceert dat jongeren door hun levenslange ervaring met technologie een natuurlijk begrip hebben van alle aspecten ervan (als in: ‘native speakers’ van de internettaal). Toch klopt dat idee niet. ­Socialemediawetenschapper danah boyd (ze hecht eraan dat haar naam geschreven wordt zonder hoofdletters) noemt het zelfs gevaarlijke retoriek, ­omdat het impliceert dat we als samenleving achterover kunnen leunen en ­alleen hoeven te wachten tot deze ­wonderkinderen zijn opgegroeid.

Maar het publieke leven van deze tieners is – of ze dat nu doorhebben of niet – best ingewikkeld. Ze moeten zich op sociale media presenteren aan de buitenwereld, met een coherent en zo perfect mogelijk plaatje. Daarbij moeten ze rekening houden met al hun persoonlijkheden – ze zijn nu eenmaal iemand anders op school dan thuis, of op de voetbalclub. Op Instagram komt dat opeens allemaal samen, terwijl ze nog volop bezig zijn met het ontwikkelen van hun identiteit.

Het woord ‘moeten’ klinkt misschien wat zwaar, maar een echte opt-out is er ook niet, als zo’n groot deel van het sociale leven zich afspeelt op de smartphone. Nagenoeg elke middelbare scholier draagt er een bij zich. Ondertussen spelen de bedrijven achter hun favoriete sociale media listig in op de behoefte erbij te horen en zichzelf te laten zien. Snapchat adverteerde eens met een beroemd gedicht van William Butler Yeats:

Think where man’s glory
Most begins and ends
And say my glory was
That I had such friends.

Deze regels uit 1937 vatten zomaar de ziel van socialemediagebruik. Deel uitmaken van een groep, vrienden hebben, is een diepe menselijke behoefte waarop deze bedrijven hun succes bouwen. Zij maken er gebruik van dat het beloningscentrum in de hersenen wordt geprikkeld wanneer we werken aan onze ­online vriendenkring. Daardoor besteden gebruikers meer tijd op hun platforms, laten ze meer data achter, en valt er meer te adverteren. Niet voor niets staan volgersaantallen en likes overal zo prominent aangegeven: het voelt goed om die te zien aanzwellen. Tonen dat je vrienden hebt, dat je een goede plek ­bezet in je sociale groep, is van belang voor alle mensen. Maar voor wie op de middelbare school zit, is het cruciaal.

Het digitale spoor dat ze daarbij achterlaten, al vanaf zo’n jonge leeftijd, houdt hen niet al te veel bezig. ‘Dat is gewoon de tijd waarin we leven’, zei Suzy’s vriendin Aenea. ‘En dat is misschien een beetje stom van mij, maar ik accepteer het gewoon.’ Net zo gaat ze om met de waarschijnlijkheid dat mensen er over tien jaar in een handomdraai achter kunnen komen hoe zij vroeger als tiener was. Ze wil niet nu al bezig zijn met zo’n potentiële situatie.

Ook op andere vlakken is privacy vaak geen groot issue – behalve dan misschien de privacy van hun ouders. Deze ­tieners gaan er gewoon van uit dat ze bekeken worden. ‘Als je iets online zet, weet je dat mensen ernaar kijken’, zei ­Robin. ‘Als je dat niet wilt, dan maak je maar een nieuw account aan en accepteer je alleen je beste vrienden.’ De meeste tieners die zij kende hadden hun Instagrampagina op ‘openbaar’ ingesteld. ‘Want dan kun je statistieken bekijken van mensen die je foto’s hebben geliket en bekeken’, legde ze uit. ‘Je ziet ook hoeveel mensen je dus niet hebben geliket en wel bekeken.’

Dat is het pact dat ze maakt met Instagram om te weten hoe haar publieke persoonlijkheid in de smaak valt. Heel professioneel – wat zij gebruikt, is eigenlijk een businessaccount – en ook passend bij de neoliberale cultuur waarin deze generatie opgroeit. Robin maakt zelfs haar locatie publiek, zodat ze kan zien hoeveel mensen wilden weten waar ze op een bepaald moment was. De meisjes weten ook hoeveel mensen hun foto’s opslaan. En als het dan een vieze oude vent is die dat doet, vindt Suzy, dan is het maar een vieze oude vent. ‘Ik bedoel, het staat gewoon openbaar op je Instagram.’

Met het publieke leven dat de meeste middelbare scholieren online leiden, en dan vooral degenen met openbare accounts en veel volgers, ervaren zij een soort microcelebrity. Die term werd in 2008 gemunt door mediaonderzoeker Theresa Senft om het soort roem te beschrijven dat bijvoorbeeld YouTube­sterren genieten. Ze zijn bekend en geliefd in hun eigen niche, maar kunnen ook last hebben van kritiek en getrol. Tieners hebben te maken met een soortgelijke aandachtsdynamiek: hun posts kunnen veel likes en prijzend commentaar opleveren, maar ze kunnen ook te maken krijgen met geroddel, shaming en pesterijen. De drempel om iets vervelends te zeggen, ligt online stukken lager.

Als dat gebeurt, zei Suzy, kun je er niets aan doen. ‘Terwijl iedereen het toch kan blijven zien, dat maakt je machteloos.’ Dat alles wordt geregistreerd is een van de venijnigste aspecten van het publieke leven van deze tieners. Waar een roddel vroeger de beperkingen kende van de aula of de wc-deur, zijn nu met een druk op de knop honderden anderen op de hoogte: de verspreidingsmogelijkheden zijn ­gigantisch. In de brugklas was er een filmpje van een vriendin van Suzy uitgelekt, waarop het meisje in ondergoed te zien was. Het had maar een weekend ­nodig om heel Amsterdam rond te gaan, en werd zelfs in Duitsland bekeken.

Daarnaast is het schoonheidsideaal genadelozer dan ooit, nu het leven wordt gecommuniceerd via plaatjes. Deze microberoemdheden hebben veel controle over hun eigen beeltenis, maar het smartphonescherm is een veeleisende spiegel.

Een ‘echte’ beroemdheid krijgt ook met dit soort zaken te maken, maar die heeft daar bewust voor gekozen. Dat is anders voor een puber die zich met vallen en opstaan door zijn middelbare schooltijd werkt, die zich nog volop ontwikkelt en in een paar jaar enorm kan veranderen. En het internet onthoudt veel. Zelfs al zou je iedere online stap van je tienerjaren bewust hebben gezet, dan nog is er weinig ruimte voor voortschrijdend inzicht of een veranderende identiteit.

Tieners mogen de taal van sociale media dan vloeiend spreken, de nieuwe ­wereld die ze ermee navigeren is er nogal een. Het is verleidelijk om ze daar alleen in te laten en te denken dat ze het zelf wel kunnen uitvogelen, maar het microberoemde bestaan is zo eenvoudig niet. Bovendien gaat hun verhaal evengoed over ons eigen nieuwe leven met deze apparaatjes en bijbehorende media. Dat bevindt zich ook in een soort adolescente fase.

In de tijd dat ik deze tieners volgde, voltrok zich een kleine kentering in het denken over socialemediagebruik. Er kwam meer bewustzijn over de privacy- en verslavingsaspecten ervan. Mark Zuckerberg moest voor het Europese Hof en de Amerikaanse Senaat verschijnen, waar hem respectievelijk werd ­gevraagd of hij een evil genius was, en hoe het zat met de dopamine feedback loops die ons aan het schermpje gekluisterd houden. Er verscheen een reeks boeken over afstand nemen van je smartphone en hoe je je ‘onafleidbaar’ kan worden. De body positivity-beweging pakte zijn momentum.

Beeld Nathalie Lees

Maar het is lang niet genoeg. Zoals voormalig Google-medewerker Tristan Harris stelt in verschillende interviews: aan de ­andere kant van je scherm zijn duizenden mensen aan het werk om alle verantwoordelijkheid die iemand zelf kan nemen te omzeilen. Harris heeft ook de hoofdrol in de veelbesproken Netflix-docu The ­Social Dilemma. Daarin wordt duidelijk hoe ontzettend diep de makers van sociale media in onze hoofden weten te kruipen, hoezeer ze ons gedrag beïnvloeden. Zo wordt het geld verdiend in de rijkste industrie ooit. Dit systeem moet compleet veranderen, zegt Harris. ‘Deze machine is niet te keren zonder zware publieke druk.’ Maar als die machine al te keren valt, zal het nog lang duren.

Ondertussen zullen we ons moeten richten op de cultuur eromheen. Toen ik aan mijn onderzoek begon, in 2017, stond ik ervan versteld dat de meeste brugklassers al een smartphone hadden. Inmiddels is 10 jaar al geen uitzonderlijke beginleeftijd meer. Het is makkelijk te beredeneren hoe zo’n glijdende schaal werkt: een zusje mag het misschien iets eerder dan haar grote broer, omdat het gezin al gewend is aan kinderen met smartphones; haar klasgenootje mag het ook, ‘omdat iedereen er een heeft’. De enige manier om de schaal te kantelen, is door hem zelf een duwtje terug te geven.

Dat zou makkelijker zijn als ouders het idee loslaten dat een kind zonder smartphone zijn sociale leven wordt ontzegd. Weet dat veel kinderen in Silicon Valley geen smartphone hebben: juist degenen die deze producten maken, houden hun eigen kinderen erbij vandaan. De school kan hierin een rol spelen, met voorlichting en strikte richtlijnen. In Frankrijk is de smartphone sinds 2018 verboden op openbare scholen voor kinderen tot 15 jaar. Zo’n regel ‘ontnormaliseert’ het intensieve smartphonegebruik.

Als oudere generaties moeten we ook ons eigen (voorbeeld)gedrag onder de loep nemen. Ja, er zijn vele knappe koppen aan het werk om ons die smartphone in te zuigen, maar er bestaan talloze trucs om onze hersens een beetje terug te hacken. Zet de notificaties uit; leg het apparaat buiten bereik; stel het scherm in op grijstinten. Op de site van het Center for Humane Technology – opgericht door Tristan Harris – zijn goede tips te vinden.

En verdiep je in de ervaring van deze tieners. Zoals ik al zei: zij zijn de echte experts – maar wij kunnen ze helpen. We staan aan het begin van een langdurige relatie met sociale technologie. Deze generatie zal mede gaan bepalen hoe we ons daartoe verhouden, wat de normen en sociale gebruiken zullen zijn. Naar welk online ideaalplaatje meisjes zich straks voegen, hoe diep techbedrijven dan nog in ons hoofd mogen kruipen en in hoeverre we onze privacy beschermen. De rest – ouders, scholen, de maatschappij, de overheid – moet zich daar mee bemoeien, zodat we samen kritisch na kunnen denken over hoe die nieuwe wereld er eigenlijk uit zou moeten zien.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden