COLUMNstephan sanders

Het lukt me niet van de stilte te ­genieten, omdat daar achter de ­bekommering fluistert

Een huiselijke, veilige setting, burgerlijker krijg je het niet. Er wordt gekookt, het is over zessen, op de achtergrond klinkt een strijkkwartet van Beet­hoven, de late Beethoven, en de kok kijkt peinzend uit zijn raam, over de rivier, waar het normaal toetert van de plezierbootjes en rondvaarten. Het grote terras aan de overkant is nu met rood-witte linten afgezet, maar zal per 1 juni weer vertier leveren. Ik zal ook dan weer aan het ­koken zijn, en meteen zien hoe braafjes ik leef.

Maar nu, op de drempel van het nieuwste normaal, krijg ik een man in het vizier met veel tassen, balan­cerend op de stoeprand. Dat doet hij behendig, zoals alleen iemand die stomdronken is zijn evenwicht de hele tijd bewaart. Ik zie dat even aan, Beethoven nog steeds als decor: ik ben de man die veilig thuis is, hij de spartelende vis op de wallekant.

En dan gaat het toch mis met de choreografie en tuimelt de man om. Hij blijft liggen, niet doodstil, maar stil genoeg.

Ik zoek het nummer van de politie in Amsterdam-Zuid op, ik krijg ­keuzemogelijkheden voor gevonden/vermiste voorwerpen en grofvuil, dat ik niet afwacht. Is dit nu een moment voor 112? Waarom twijfel ik gedurende deze hele crisis: is dit een moment voor 112?

Terecht merkte Joost de Vries in De Groene Amsterdammer op dat wat de meeste Nederlanders nu meemaken, een ‘crisis van een crisis’ is. Zeker wanneer je zelf niet ziek bent en niet of nauwelijks getroffen vrienden en familie hebt te tellen. Maar ook ­beklemming is epidemisch.

Ik krijg niet meteen gehoor bij 112 maar wordt binnen een minuut wel teruggebeld door de ambulancedienst. Vertel het verhaal van de man, die nu, as I speak, weer opkrabbelt, en zijn tassen bij elkaar zoekt. Ik open het raam, schreeuw hem toe: ‘Mijnheer, gaat het wel goed met u?’ Hij zoekt naar boven, welke god roept hem, en vindt dan mijn stem.

Ik steek een vragende duim op, hij antwoordt met zo’n Facebookduim, en struikelt verder buiten mijn ­gezichtsveld.

Het grote verhaal van deze crisis speelt zich voor de niet-zieken en de niet-verplegenden grotendeels af buiten ons gezichtsveld, in de ziekenhuizen en verpleeghuizen, in gewone kamers aan de straatkant op tweehoog, waar iemand al een tijdje doodstil ligt, om de tweede dag gevonden te worden.

Mijn buurman A., die ik ken van korte hartelijke praat op straat, is een van hen.

Het lijkt nu of-ie er nooit is geweest, alles is geruisloos gegaan, zonder ophef en buurtpraat na.

Op aanraden van vrienden ben ik ’s avonds laat gaan wandelen in de binnenstad van Amsterdam, waar ik jarenlang als student heb gewoond. De Wallen, de Zeedijk, al die schotse en scheve steegjes. Wat een stilte, wat een rust, zo heb ik oud-Amsterdam nooit in mijn leven mee­gemaakt. Maar evengoed: wat een beklemming, omdat je weet dat er een neutronenbom is gevallen, het grote schrikbeeld uit mijn jeugd, die wel de gebouwen maar niet de mensen spaart...

Het lukt me niet van de stilte te ­genieten, omdat daar achter de ­bekommering fluistert.

De laatste maanden heb ik mezelf beter leren kennen, en dat valt niet mee. Ik gedij dus bij deze prikkelarme omgeving, geen volle terrassen, treinen of agenda’s, geen grote feesten en gezellige lunches. Ik heb het altijd te kinderachtig voor woorden gevonden, maar ik weet van mijn moeder, dat toen zij mij op ­8-jarige leeftijd vanuit het doodstille Twente meenam naar Amsterdam, de Bijenkorf, ik op de eerste roltrap al flauwviel.

Dit vreselijke coronaregime is wat ik zo’n beetje aankan.

Het vermoeiende is dat ik mezelf liever wilde zien als een feest- en ­caféganger en dat mijn hele leven stug heb volgehouden, tot omvallens toe.

Maar wie gevoelig is voor ‘prikkels’, zoals dat aanstellerig heet, is dat natuurlijk ook voor onderhuidse prikkels, de deken van beklemming die over de stad ligt.

Het is niet stil, het is ingehouden stil.

Uit mijn hoofd het verhaal van ­filosoof Ludwig Wittgenstein, die in Rome wordt rondgeleid over een uitgestorven Piazza Navone. Zo rustig, zo mooi, zo sereen. Maar Wittgenstein hoort ergens driehoog-achter een baby krijsen. Hij grijpt naar zijn hoofd en rent weg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden