Column Martin Sommer

Het kan niet lang meer duren of we gaan allemaal op overheidsbevel inductief vegetarisch koken

Het parlementaire jaar is weer begonnen en de waarschuwingen zijn niet van de lucht. We leven in een grimmige tijd, hoor ik her en der, met moddergooien en bedreigingen. Moddergooien is nooit leuk maar wat helpt, is niet op Twitter kijken. Weet u wat pas een grimmige tijd was? De jaren zeventig. Ik lees de nieuwe biografie van Joop den Uyl door journalist annex historicus Dik Verkuil. Een kostelijk boek en een feest van herkenning. Het heet De gedrevene en dat is raak getypeerd.

Het is een ‘minder aaibare’ Den Uyl geworden, zoals de schrijver zelf zegt, dan die van Anet Bleich. Dat blijkt al uit de inleiding, waar een paar eerder afgedropen Den Uyl-biografen voorbijkomen. Zij werden tijdens hun eerste bezoek aan de hoofdpersoon vergast op een monoloog van anderhalf uur, met veel naar zijn sigaar en het plafond kijken en geen kopje koffie, waarna ze de moed in de schoenen zonk om aan zo’n boek te beginnen. Den Uyl ‘stond weer eens op zenden’. Dat is meteen de kern van de zaak.

Den Uyl: Ik ben pas 51... Beeld ANP

De jaren zeventig waren de hoogtijdagen van de polarisatie. Tegenwoordig hebben we ook polarisatie, alleen nu tot verdriet van verre nazaat Diederik Samsom, die de schoonheid van het compromis bezingt. Polarisatie is nu iets van slechteriken, populisten en Boris Johnson.

Tegenspraak hoort bij democratie als mayonaise bij patat. Maar die PvdA-polarisatie had met tegenspraak weinig van doen, want ze bestond uit een onschokbare overtuiging. De sociaal-democraten wisten dat er maar één echte tegenstelling was, die tussen kapitaal en arbeid. Partijen die daar niet aan wilden, zoals de katholieken van de KVP, hadden eigenlijk geen bestaansrecht. Vond ook Den Uyl.

Wie iets wil opsteken over grimmigheid, moet de pagina’s lezen over de bejegening van christelijke politici aan de vooravond van het kabinet-Den Uyl (1973-1977). Voor de televisie zei Den Uyl dat de christelijke partijen, die hij nodig had voor een meerderheid, hun wensen alleen ‘als vijgenblad’ zouden mogen inbrengen. Als christen-democraten onderhandelden, dan was dat ‘marchanderen, sjoemelen, ritselen en zwabberen’. PvdA-coryfee André van der Louw stelde het partijkader gerust over de samenwerking met christelijke kandidaat-ministers omdat er geen ‘Judassen’ bij zouden zitten.

Zoveel jaar later staat je verstand erbij stil dat de christen-democraten zich dit hebben laten welgevallen. Den Uyl zelf was rechts in de PvdA begonnen, tegen nationalisaties en mordicus tegen het communisme. Hij had het onderzoek gelezen van de Amerikaanse politicoloog Seymour Lipset, die in 1960 schreef dat de arbeiders qua sociaal-economische opvattingen goed aansloten bij linkse politici, maar een aanzienlijk conservatievere mentaliteit hadden dan hun politieke voorlieden. Den Uyl vreesde de opkomst van de toenmalige populisten van de Boerenpartij en vond dat de PvdA zich niet te ver van de achterban moest verwijderen. Hij gunde de arbeider zijn autootje.

Maar toen kwamen de jonge wilden van Nieuw Links en kreeg hij van Arie van der Zwan te horen: ‘Ach man, sodemieter op, wat doe je hier nog!’ Den Uyl was ineens een oude witte man geworden en zei geschokt: ‘Dat vind ik knots. Ik ben pas 51.’ De nieuwe generatie bonkte op de deur, en net als nu verschoof de politieke thematiek. De welvaartsstaat was min of meer af en de materiële verbetering werd ingeruild voor het grote morele geloof van de radicale hervormingen. In het partijbestuur werd ‘op een bijna religieuze manier gedacht’.

Den Uyl bleek zich goed te kunnen plooien. Historicus Henk te Velde noemde hem een voorbeeld van ‘calvinistisch leiderschap’. Daaraan zaten twee kanten, sober leven en een onwankelbaar gelijk. Den Uyl overtuigde niet zozeer met argumenten, maar doordat hij zo lang bleef zitten en doorpraten tot zijn tegenstrever murw was en het bijltje erbij neergooide. In de praktijk kwam er van de hervormingen niet veel terecht, maar wat wel ontstond was een ‘progressieve levensstijl’ die zich afzette tegen de Archie Bunkers van deze wereld.

Te Velde: calvinistisch leider...

In 1972 bespraken Den Uyl en Hans van Mierlo het eventuele samengaan van PvdA en D66. Ze hunkerden naar een progressieve meerderheid en Van Mierlo zei tegen zijn vriend W.L. Brugsma, hoofdredacteur van HP, dat hij daarvoor ‘een groot nieuw probleem’ nodig had. ‘Dat ligt hier op tafel’, zei Brugsma en hij wees op het rapport van de Club van Rome. Daarin stond dat de wereld zonder radicale ingrepen naar de donder zou gaan.

Zoals we ook nu meemaken, bracht de aanstaande ondergang van de wereld nieuwe politieke kansen. Den Uyl greep ze met beide handen aan. De Club van Rome paste precies bij zijn opvattingen. Er moest een radicale maatschappijhervorming komen, we moesten eenvoudig gaan leven, grote bedrijven zouden aan banden worden gelegd, de rol van de overheid was bijna onbegrensd. En er was geen ontkomen aan.

Samson: schoon compromis... Beeld Rebecca Fertinel

Vooral dat laatste voedt de herkenning. Ooit had Den Uyl een dik rapport geschreven dat De weg naar vrijheid heette. Die vrijheid bestond niet zozeer in de vrije botsing der opvattingen, als wel in een overheid die wist wat het beste was voor de bevolking, tot ‘de invulling van de zinvolle vrijetijdsbesteding’ aan toe. Een halve eeuw later is er inderdaad geen ontkomen meer aan. Het is weliswaar niet onder een sociaal-democratische premier, maar het kan niet lang meer duren of we gaan allemaal op overheidsbevel inductief vegetarisch koken. Het vrijheidsideaal van Den Uyl is bijna bereikt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden