Column Nico Dijkshoorn

Het is zo fijn om te kijken naar mensen die een object niet begrijpen

Ik kijk net voor de 32ste keer naar een filmpje op YouTube. Twee jongens van een jaar of 16 proberen te telefoneren met een telefoon uit de jaren tachtig. Ze kijken na iedere verkeerde handeling wanhopig in de camera – hun ouders filmen en geven af en toe een aanwijzing – en ze raken de telefoon aan zoals ik een dood dier in het bos zou aanraken.

Bang dat hij opeens geluid maakt.

Het is fijn om te kijken naar mensen die een object niet begrijpen. Je heb een voorsprong. Eindelijk eens een voorsprong. Vrienden die het altijd beter weten, mensen die je midden in een kantine uitleggen hoe je een kiwi eet, ze hebben opeens veel minder praatjes als je ze iets in hun handen duwt waar ze nog nooit van hebben gehoord.

Ik heb ooit bijna een kwartier zitten kijken naar een vriend die niet begreep wat hij in zijn hand had. De officiële naam van het voorwerp weet ik niet, dat moet u maar aan die man met die snor vragen, hoe heet hij, die met die pet, kom nou, hoe heet hij, met die snor die uit zijn neusgaten groeit, twee van die behaarde ijspegels uit zijn neus, die van die wijn en dat hij altijd heel lekker is en dat hij dan hem toevallig net verkoopt, hoe heet hij, ja, Ilja Gort, aan hem moet u maar vragen hoe dat voorwerp heet, maar het was zo’n dingetje waar je de kurk mee vrijmaakt als er nog lood of metaal omheen zit. Weet ik veel.

Mijn vriend bewoog zich als een hertje bij de drinkplaats. Eerst net doen alsof er geen water is. Er langslopen en zogenaamd naar een takje kijken. De hoef schudden en snel naar rechts kijken: ja, water. Er langslopen alsof dat water je niets kan schelen, terwijl de kurkdroge huid bijna van je hertenlichaampje afvalt.

Nu ja, zo liep mijn vriend om die kurkbevrijder heen. Ik heb het getimed: pas na 9 minuten raakte hij hem voorzichtig aan. Geen idee wat hij in zijn hand had. Lang verhaal kort: toen hij er heel voorzichtig aan stond te luisteren ben ik naast hem gaan staan. Nu kwam het er op aan om zo achteloos mogelijk de goede vraag te stellen.

‘Mag ik die schaafkruier even?’ Het woord schaaf was goed gekozen. Totale verwarring. Hoe kon je met dit dingetje schaven? En wat? En waarom? Ik beantwoordde vragen die hij mij niet durfde te stellen. ‘Nootjes of je voortanden. Vooral dat laatste. Het luistert heel nauw. Een keer verkeerd schaven en je ziet er uit als Rob de Nijs. Kruien dat komt van kruipen. Op je knietjes. Handig, hè!’

Ik herbeleef dat allemaal door die twee lieve jongens met de oude telefoon. Ze raken de draaischijf aan alsof het hun vaders tepel is. Doodsbang. En zo schattig, hoe ze de hoorn steeds even kort optillen en weer neerleggen, omdat ze zich niet kunnen voorstellen dat je door die plastic knots moet praten.

Nu wilt u dat filmpje natuurlijk zien en daarom waarschuw ik u voor mijn collega Sylvia Witteman die hardop twijfelt aan de echtheid. Ik wil daar dit over zeggen: Witteman zegt van gehakt te houden, maar ik heb nog nooit iemand gesproken die het haar heeft zien kneden. Dus!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.