Het is tijd voor een Tweede Schoolstrijd

Financier het onderwijs zo dat de direct betrokkenen weer verantwoordelijk worden.


Onderwijs is bij uitstek een publiek goed, en de overheid tot zorg. Toch werd in de Grondwet van 1848 de onderwijsrol van de Nederlandse overheid tot een minimum beperkt. In tegenstelling tot veel andere landen kennen Nederlandse scholen een hoge mate van vrijheid in het bepalen wat en hoe zij onderwijzen. De Eerste Schoolstrijd gunde die vrijheid in het bijzonder aan de dominante religieuze stromingen van de 19de eeuw.

In het laatste decennium is de overheid zich in toenemende mate toch met scholen gaan bemoeien, en is tegelijk de maatschappelijke bezorgdheid over de kwaliteit van het onderwijs gegroeid. Over de achterliggende ambities is geen meningsverschil: het onderwijssysteem moet de verschillen tussen leerlingen die niet talentgerelateerd zijn (bijvoorbeeld verschillen in sociaal-economische herkomst) minimaliseren, en de wel talentgerelateerde verschillen tussen leerlingen maximaliseren zodat die talenten tot zo groot mogelijke ontplooiing komen. Waarom slaagt het onderwijssysteem onvoldoende in deze dubbele taak? Dat heeft alles te maken met wat er geleerd wordt, hoe het geleerd wordt, en door wie dat besloten wordt en betaald.

Ons onderwijs is zo belangrijk dat er alle reden is voor een Tweede Schoolstrijd, een strijd om deze dubbele taak tot ontplooiing veilig te stellen.

Er zijn twee externe ontwikkelingen die deze Tweede Schoolstrijd extra urgent maken: de opkomst van internet en het doorzetten van de globalisering.

Internet heeft het gedrag van jongeren wezenlijk veranderd en heeft daarmee ook hun perceptie van kennis aangetast. Deze gedigitaliseerde wereld vraagt om een nieuwe didactiek. Maar gaat het daarbij om vaardigheden of om de inhoud? Om diepte of juist om breedte? Moeten we de grote meerderheid tot hoofddoel maken, of juist speciale aandacht geven aan de begaafden? Is het niet voldoende dat leerlingen weten hoe ze moeten leren, omdat kennis nu eenmaal zo snel veroudert?

Globalisering maakt deze vragen alleen maar urgenter. Worden wij niet ingehaald door de ontwikkelingen elders, waar leren en talentontwikkeling in hoog aanzien staan, zoals in Azië? En in hoeverre moet ons onderwijs gericht zijn op het kweken van een nationale identiteit? Het is niet toevallig dat de roep om een nationale canon juist nu is opgekomen. Maar onderwijzen we een canon die leert over Nederland, of een die Nederland in zijn juiste, soms bescheiden perspectief plaatst? Hoe richten we ons lesmateriaal zo in dat aan humanisme, diversiteit en universaliteit recht wordt gedaan?

Deze wat- en hoe-vragen zijn op zich al belangrijk genoeg om een Tweede Schoolstrijd uit te lokken. Maar de beste beantwoording ervan wordt verregaand beïnvloed door de inrichting van onze educational governance. Van wie is ons onderwijs eigenlijk? Van de staat, namens ons allen? Tot op zekere hoogte, maar artikel 23 van de Grondwet trekt daar een scherpe en onverminderd zinnige grens: binnen duidelijke randvoorwaarden zijn de ouders de baas over de inhoud. De vraag is nu hoe de verantwoordelijkheid voor ons onderwijs over alle betrokken partijen verdeeld moet worden.

Om welke partijen gaat het hier dan? In de eerste plaats natuurlijk om de ouders of verzorgers, die voor hun kinderen goed, betaalbaar en effectief onderwijs wensen en daarvoor thuis de juiste omstandigheden moeten scheppen. In de tweede plaats de onderwijzers, leraren en docenten die passend invloed moeten kunnen uitoefenen op de inrichting van hun werkterrein. In de derde plaats de scholen waar leerlingen vandaan komen of naartoe vertrekken, of de werkgevers waar zij zullen aankloppen. In de vierde plaats de lokale gemeenschap die van een school ook buiten de lesuren een verrijkende bijdrage aan haar directe omgeving kan verlangen. En tenslotte de leerlingen en studenten zelf, die moeten bewijzen dat zij goed onderwijs waard zijn maar daaraan ook eisen mogen stellen.

Als een onderwijsinstelling de relatie met deze vijf groepen goed op orde heeft, kan de huidige verantwoording aan de rijksoverheid heel goed vervangen worden door een passende horizontale verantwoording. Een school die goede resultaten boekt op de landelijke eindtermen kan van de rijksoverheid een onderwijslicentie ontvangen voor een aantal jaren. De geldstroom kan dan verregaand gedecentraliseerd worden, bijvoorbeeld naar de gemeente voor het primaire onderwijs en de provincie voor het secundaire onderwijs. Alleen het tertiaire onderwijs wordt dan nog rechtstreeks nationaal bekostigd. Zo komt de politieke verantwoordelijkheid voor het onderwijs zo dicht mogelijk bij de direct betrokkenen te liggen, en wordt lokaal en regionaal maatwerk maximaal bevorderd.

De Eerste Schoolstrijd heeft decennia geduurd en heeft velen beroerd. De inzet van de Tweede Schoolstrijd is minstens even urgent, al duurt het hopelijk niet opnieuw decennia om ons onderwijs aan te passen aan de eisen van de tijd. Inhoudelijk blijft de grootste uitdaging het leren zo in te richten dat alle leerlingen, en niet alleen de beste, over grenzen en generaties heen leren denken en niet alleen zichzelf als middelpunt van de wereld zien. Leren gaat uiteindelijk altijd over de lange termijn, over het toegerust worden tot burgerschap, maar ook over het leren als doel op zich, en over de universaliteit van kennis. Ten strijde!

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden