EssayOuderenzorg

Het is nog niet te laat om de ouderenzorg te redden

Beeld Elise Vandeplancke

De moeder van verslaggever Carlijne Vos werkte vol goede moed mee aan de decentralisatie van de ouderenzorg. Nu heeft ze spijt. Waar kunnen ouderen die 24-uurszorg nodig hebben nog heen?

In een volkswijk trekt een wijkagent aan de bel over een oudere dame die ’s nachts in haar nachthemd op straat zwerft. Ze is vereenzaamd en vervuild; een muur in haar woonkamer gaat schuil achter een toren van op elkaar gestapelde lege blikjes kattenvoer. Nog dezelfde dag is alle noodzakelijke hulp geregeld. Er komt een schoonmaker en de verwarde dame wordt tijdelijk opgenomen in het naburige verzorgingstehuis om op adem te komen. Als ze weer is opgeknapt, keert ze terug naar huis, krijgt psychische en huishoudelijke hulp en een maaltijdservice. Ook wordt ze voortaan dagelijks gebeld door de ‘telefooncirkel’ die vanuit de wijkpost voor ouderen wordt gerund door vrijwilligers uit de buurt. ‘Of mevrouw nog iets nodig heeft?’

Dit is hoe ouderenzorg eruit moet zien volgens het kabinet: zorg op maat, dicht bij huis. Een utopie? Nee, dit was bijna veertig jaar geleden de gang van zaken in de toen arme en vergrijsde – nu multiculturele en veryupte – Amsterdamse wijk De Baarsjes, voordat de centrale overheid zich ermee begon te bemoeien. Voordat spontane initiatieven kapot werden gereguleerd en voordat de afbraak van de verzorgingsstaat was ingezet met het heilig geloof in ‘de markt’ en de zelfredzaamheid van burgers.

Zo ging het ruim voordat het verzorgingstehuis met een rampzalige pennenstreek werd afgeschaft, en daarmee het laatste vangnet voor ouderen die wél 24-uurszorg nodig hebben, maar niet doodziek of diep dement zijn.

We spreken over de jaren tachtig van de vorige eeuw, toen verzorgingshuizen hun deuren naar de buurt begonnen te openen en er nieuwe buurtinitiatieven ontstonden die het voor ouderen mogelijk maakten langer zelfstandig te blijven wonen. Het verzorgingstehuis nodigde buurtbewoners uit voor de kerstviering of de bingoavond en er kwamen nieuwe zorgdiensten zoals Tafeltje Dekje, een klusdienst of wijkvervoer. 

De ‘wijkpost voor ouderen’ in de Baarsjes fungeerde in deze nieuwe ordening als een satelliet. De deur stond altijd open; je hoefde maar wat over de drempel te roepen of de huisarts, wijkverpleegkundige, schoonmaker, klusdienst of maatschappelijk werker – allemaal om de hoek – stond direct op de stoep van de hulpbehoevende.

Deze wijkpost in De Baarsjes werd gerund door mijn moeder, Jetty Voermans. Als tiener deed ik er allerlei klusjes. Ik bracht felicitatiebrieven en cadeautjes langs bij ouderen die 75 werden, sorteerde de post, en haalde bij mensen thuis spullen op voor de vrijmarkt – vaak diezelfde zware mokken die ouderen voor hun jubileumverjaardag hadden gekregen. Voordeel van deze verjaardagsbezoekjes was dat ouderen zo vanaf hun 75ste direct in het databestand kwamen van de wijkpost. Zo konden ze op de hoogte worden gehouden van de dienstverlening in de buurt – iets wat in 2020, met de huidige privacywetgeving, ondenkbaar is geworden.

Ouderenzorg in De Baarsjes was een geoliede machine die in binnen- en buitenland werd opgemerkt en mijn moeders loopbaan vleugels gaf. Begin jaren negentig werd ze hoofd ouderenzorg bij de gemeente Amsterdam. Haar opdracht was nieuwe woonzorgvormen ontwikkelen als vervanging van het bejaardentehuis, complexen met zelfstandige woningen en, indien nodig, 24-uurszorg. Tegelijkertijd moest ze het welzijnswerk naar een hoger plan tillen zodat ouderen langer zelfstandig thuis konden blijven wonen. 

Rond de eeuwwisseling werd ze bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) verantwoordelijk voor het optuigen van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) die gemeenten later verantwoordelijk zou maken voor het leveren van ouderen- en welzijnszorg ‘op maat’ en ‘dicht bij de burger’. Hiermee zouden mijn moeders idealen en ervaring uit de Baarsjes landelijk beleid worden en zou haar levensmissie zijn geslaagd.

Het is anders gelopen. Nu, op 78-jarige leeftijd, schaamt mijn moeder zich ervoor dat zij aan de wieg heeft gestaan van de wet die het Nederlandse zorglandschap voorgoed veranderde. ‘Mijn idealen’, zegt ze, ‘zijn uitgemond in nachtmerries.’ Nog dagelijks scant ze vol passie en vooral veel woede de krant op artikelen over ellenlange wachtlijsten voor verpleeghuizen en over ziekenhuisbedden die bezet worden door ouderen die niet naar huis kunnen, omdat ze daar geen zorg hebben. Over thuiszorgmedewerkers die horendol worden van de regeldruk, mantelzorgers die overbelast zijn en vooral over de ouderen zelf die tussen wal en schip vallen: te slecht eraan toe om alleen te wonen, maar te goed voor het verpleeghuis.

Wat ging er mis, vraagt ze zich af. Hoe komt het dat ‘haar’ model in De Baarsjes het landelijk niet redde?

Daarvoor moeten we terug naar de jaren voor de eeuwwisseling. Nadat er landelijk een wildgroei aan welzijnsinitiatieven zoals die van mijn moeder was ontstaan, met bijbehorende subsidiestromen, besloot de overheid de touwtjes stevig in handen te nemen en de zorg te stroomlijnen, bundelen en laten financieren door het Rijk. Voor deze ‘centralisatie’ moesten diensten ‘inzichtelijk’ en ‘afrekenbaar’ worden gemaakt. Functies in de thuiszorg werden opgeknipt: schoonmaken, verzorgen, signaleren, ondersteunende begeleiding. Wat een huisvrouw elke dag op de automatische piloot doet, zoals mijn moeder meestal schampert, moest ineens apart worden geregistreerd en afgerekend. Dat bracht een onvoorstelbare bureaucratie met zich mee. Tegelijkertijd was de politiek inmiddels bevangen door het marktdenken en het idee dat dit een handig middel was om ook nog eens flink te kunnen bezuinigen.

Onder deze omstandigheden – marktwerking en bezuinigen – werd in 2006, ondanks alle waarschuwingen van gemeenten en beleidsmakers als mijn moeder, tóch de WMO ingevoerd. Dit leidde tot een rampzalige ‘aanbesteding’ van de huishoudelijke zorg. Gemeenten probeerden tegen bodemtarieven zorg in te kopen, hetgeen leidde tot jaren van massaontslagen, faillissementen en een uitholling van de zorg. Zorgverleners moesten voortaan per minuut registreren hoe ze gordijnen opentrokken, koffie zetten en ramen lapten. Als er geen tijd over was, kon de oudere de hele dag in pyjama blijven zitten.

De opschudding in de thuiszorg had een waarschuwing kunnen zijn voor wat nu gaande is in de Jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg. Maar de decentralisatietrein, verblind door het heilig geloof in de efficiëntie van marktwerking, negeerde alle rode seinen en walste ook over de rest van het Nederlandse zorglandschap. 

Alle misstanden konden evenwel op een constante stroom van politieke verontwaardiging in de Tweede Kamer rekenen. Met als resultaat dat, door voortdurend gesleutel aan wetsvoorstellen en de invoering van nog meer controlemechanismen, de zorg- en welzijnswetten nog dwingender, complexer, bureaucratischer en onuitvoerbaar werden. Niemand vroeg zich af of we wel de goede weg waren ingeslagen.

Mijn moeder, in 2007 gepensioneerd en namens de PvdA wethouder voor een kleine gemeente in Noord-Holland, mocht zelf ervaren hoe die gemankeerde decentralisering in die jaren daarna uitpakte. Hoe meer taken met dwingende regels, hoe moeilijker het werd om die met steeds minder geld uit te voeren. In 2015, toen gemeenten ook verantwoordelijk werden voor de Jeugdzorg en de Participatiewet, was er van gemeentelijke beleidsvrijheid nauwelijks meer sprake. Daarmee is de decentralisatie zijn doel, namelijk het kunnen bieden van zorg op maat, volledig voorbijgeschoten.

Aan deze ontmantelde welzijnsstaat werd in de jaren tien de genadeslag gegeven: het verzorgingstehuis werd afgeschaft. Hieraan lag geen beleidsvisie ten grondslag, enkel politiek en bestuurlijk onvermogen om de financiering van de zorg en het wonen van elkaar te scheiden. Het oorspronkelijke idee was om de verzorgingstehuizen om te vormen tot nieuwe woonzorgcomplexen, waar ouderen naar draagkracht betalen voor huisvesting en maaltijd en 24 uur per dag zorg kunnen krijgen uit collectieve middelen.

Beeld Elise Vandeplancke

Dit idee werd door iedereen omarmd. Ouderen konden, als ze wilden, gezelligheid bij elkaar vinden. En voor de arts, therapeut of wijkverpleegkundige was het makkelijker om de mensen te verzorgen als ze geclusterd woonden, dan wanneer ze de hele wijk moesten doorfietsen. Helaas, de meeste plannen zijn stukgelopen op financiering. Want wie moest er betalen voor de gemeenschappelijke ruimten waar ouderen samen eten, sporten of biljarten? Viel dat onder zorg of wonen? Overheden, woningcorporaties en zorginstellingen kwamen er niet uit.

En dus werd het kind met het badwater weggegooid. Het verzorgingstehuis werd opgedoekt, omgebouwd tot een verpleeghuis voor ouderen met een zeer ernstige zorgindicatie, of ontwikkeld tot luxe appartementen. En de ouderen met een krappe beurs? Die moeten het nu maar thuis zien te redden. Wie geluk heeft, krijgt voldoende thuiszorg en steun van familie of vrienden. Wie pech heeft, mag eenzaam wegkwijnen, zoals mijn moeder inmiddels als mantelzorger van een vriendin heeft ondervonden. 

De vriendin in kwestie, mijn oude oppas, is door een progressieve ziekte in een rolstoel beland. Ze kan daardoor niet langer zelfstandig blijven wonen. Geld voor een luxe zorgflat heeft ze niet, dus is voor haar de enige optie een verpleeghuis. Daar zit ze nu, helder van geest, tussen demente ouderen waarmee geen gesprek meer mogelijk is. Na een bruisend leven vol in de maatschappij is er voor haar geen vreselijker einde denkbaar.

En zo is het model dat mijn moeder veertig jaar geleden in De Baarsjes uitrolde verder weg dan ooit. Tot die conclusie lijkt ook de overheid te zijn gekomen. In januari stelde een commissie onder leiding van oud PvdA-leider Wouter Bos vast dat er ‘nieuwe woonvormen’ moeten komen. De aanbevelingen van de commissie doen sterk denken aan de woon-zorgcomplexen die al in de jaren negentig werden bedacht, een déjà vu dus voor mijn moeder.

‘Komt het nog goed?’, vroeg ik haar laatst, en in haar antwoord lag een boodschap voor de huidige generatie politici: heb het lef terug te komen op verkeerde beslissingen. Stop met marktwerking en stop met het decentraliseren van complexe zorg. Geef woningcorporaties de middelen om betaalbare ouderenwoningen te bouwen en vooral de bijbehorende gemeenschappelijke voorzieningen te ontwikkelen. ‘Als Wouter Bos dit hiaat nu eens oplost’, roept mijn moeder enthousiast vanachter haar iPad, ‘dan worden spontane initiatieven vanuit de wijk ook weer mogelijk. Het is allemaal niet zo ingewikkeld.’

Carlijne Vos is buitenlandverslaggever en commentator van de Volkskrant. Van 2007 tot 2012 schreef zij als economieverslaggever over de zorg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden