Het einde: als kind ging ik al spelen op begraafplaatsen

Wie of wat zette je leven op het juiste spoor? In een serie interviews vraagt de Volkskrant mensen naar hun inspiratiebron. Conservator bij uitvaartmuseum Tot Zover Babs Bakels (45) ontmoette iemand die haar niet-alledaagse fascinatie voor de dood serieus nam.

Babs Bakels Beeld Martijn Scheeres

'Eigenlijk is de tentoonstelling Especially for you, die ik gemaakt heb en die nu net open is, best luchtig. Ironisch in elk geval: de uitvaartbranche wordt een beetje op de hak genomen. Het gaat over de commerciële fotografie in deze wereld, over de vraag: hoe breng je het onverkoopbare in beeld?

'De dood is de afgelopen decennia onderdeel van de consumptiemaatschappij geworden. Dat wringt. Er moet toch iets verkocht worden, kistfabrikanten zijn in de jaren zestig bijvoorbeeld boekjes gaan uitgeven met kleurenfoto's van kisten in een gezellige setting. Bloemetje erbij, lamellen erachter, superfout. Alsof het om een bankstel gaat. Maar ja: zo'n symbool van sterfelijkheid laat zich niet wegpoetsen. Ik vind het conflict in die foto's spannend.

'Het is ook vrij amateuristisch, de fabrikanten deden de fotografie vaak zelf. Als het Photoshoptijdperk aanbreekt, gaan ze helemaal los, die kisten vliegen door korenvelden, boven bossen... Het is echt de dood 'te land, ter zee en in de lucht'. In 2003 begon een Italiaans bedrijf, Cofani Funebri, kalenders te maken à la Pirelli. Alleen kronkelden de vrouwen niet over autobanden, maar over de kist. Kistporno als het ware.

'Het is ongelooflijk stoer van fabrikanten dat ze aan de expositie meedoen en materiaal hebben geleverd, want we gaan er toch ook een beetje om lachen. Daaraan kun je zien dat de uitvaartbranche verandert.

'Ik heb me lang verbaasd over mijn eigen belangstelling voor de dood. Als kind ging ik al spelen op begraafplaatsen. Soms nam ik een vriendinnetje mee, er zat ook wel een griezelcomponent aan. Die interesse bleef, op allerlei manieren. Toen ik op de kunstacademie zat, verzamelde ik boeken over het onderwerp en ik stalde schedeltjes en botjes uit in huis. Ik leerde wat over taxidermie en zette dieren op. Ik schilderde het doodsportret van mijn oma met haar as vermengd in de verf - ik heb hier nog een restje van haar as, in een augurkenpotje. Later ben ik moordlocaties gaan schilderen, zonder de lichamen er in. Ook heb ik nog een bijbaan in een uitvaartcentrum gehad.

'Pas toen ik aan de universiteit aan het afstuderen was, viel het kwartje. Ik las boeken van Ernest Becker en Norman O. Brown, dé denkers destijds over dat onderwerp, en bij een van hen kwam ik dit zinnetje tegen: 'Kinderen die tussen hun 3de en 4de jaar langdurig worden geïsoleerd kunnen een morbide fixatie ontwikkelen.' Ik dacht: hé, dit zou wel eens over mij kunnen gaan.

'Toen ik 3 jaar oud was, heb ik paratyfus gehad en moest ik twee maanden in quarantaine. Je bent dan heel ziek en héél besmettelijk. Mijn ouders, die piepjong waren, mochten een halfuur per dag langskomen, helemaal ingepakt. Mijn eerste herinnering, meer een beeld eigenlijk, is dit: ik sta in de viezigheid te schreeuwen om aandacht, voor een raampje loopt een zuster, die kijkt naar binnen en loopt door. En ik ga weer liggen in die drek. Later heb ik het voor mijn moeder getekend en die zei: ja, die kamer was precies zo.

'Mijn oma zei: toen je weer thuiskwam, was je een ander kind. Het zal wel huis-tuin-en-keukenpsychologie zijn, maar ik kon daarna extreem slecht tegen afscheid nemen; je wist maar nooit hoe lang het zou gaan duren en of iemand wel zou terugkomen. En wat is een definitiever afscheid dan de dood? Ik kreeg een bovenmatige interesse in de dingen die voorbijgaan. En fixatie wil zeggen dat je juist opzoekt wat je het meeste angst inboezemt.

'Een tijdlang heb ik gedacht dat ik me daar praktisch mee moest bezighouden, dat ik de confrontatie moest aangaan. Maar ik moest me er juist op geestelijk niveau in verdiepen. En dat gebeurde toen ik op de universiteit aan mijn scriptiebegeleider werd gekoppeld: Peter van Dael, mediëvist en tevens pater jezuïet. Een zeer erudiete professor. Hij had ook een fascinatie voor de dood, dus er was die gekke link. Voor het eerst nam iemand mijn interesse serieus zonder ervan te gaan griezelen. Hij werd mijn intellectuele mentor, zette me aan het studeren en pas toen kon ik wat meer afstand van het onderwerp nemen. Hij heeft me als het ware 'ontfreakt'.

'Van Dael leefde toen in een kamer met boeken tot aan het plafond in de pastorie van de Krijtberg, de katholieke kerk midden in Amsterdam. Ik kwam er vaak. Hij had ook een stoute kant, het was een soort kwajongens-jezuïet. Via een deurtje kon je op de zolder van de kerk komen, daar hebben we wel eens stiekem rondgelopen. Het waren twee werelden - hij zo belezen en religieus en ik uit een Amsterdams hippienozemgezin - die goed bleken samen te gaan. Ik zie hem nog steeds zo'n twee keer per jaar en ik heb via hem ook wel eens mooie kunstvoorwerpen voor het museum kunnen lenen.

'Ik ben 'het dode lichaam als kunstenaarsmateriaal' gaan onderzoeken in de tijd. Van reliekenverering tot barokke knekelcrypten, via 17de-eeuwse wetenschappelijke preparaten naar haarwerken in de 19de eeuw. En de hedendaagse kunst, van Joseph Beuys tot Jenny Holzer... tot mijn verbazing kwam ik heel veel tegen. Het was echt braakliggend terrein, er was zo weinig onderzoek naar gedaan. Ik ben er nog steeds mee bezig. En ook het ethisch aspect interesseert me: aan wie behoort je lichaam eigenlijk toe na je dood? Ik zou bijvoorbeeld mijn lichaam best aan de kunst willen schenken. Waarom kan dat niet?

'Misschien verbaast het je, maar al dat onderzoek en die omgang met de materie heeft me uiteindelijk zorgelozer gemaakt. We zijn sterfelijk, onderdeel van de natuur, en die natuur komt en gaat. Alles gaat voorbij. De dichter Jotie 't Hooft, wie weet nog wie dat is? Of Matthijs van Nieuwkerk, ook die wordt gewoon vergeten, hoor. Of wie er in dit huis gewoond hebben. Ik vind dat heel prettig: vroeger dacht ik dat ik me moest manifesteren, iets moest achterlaten. Dat heb ik niet meer en dat is heel troostrijk.

'Er is één zo'n museum, het bestond zelfs nog niet eens toen ze iemand zochten. En er is één zo'n baan. Dat die baan en ik elkaar vonden... tja, dat is een soort wonder.'

Museum over de dood

Een museum over de dood - ja, dat bestaat. Het Nederlands Uitvaart Museum Tot Zover ligt op de Amsterdamse begraafplaats De Nieuwe Ooster. Plannen voor zo'n museum lagen er sinds eind jaren negentig. Conservator Babs Bakels (45, Amsterdam) begon in 2005 met het ontsluiten van de collectie en het maken van een vaste opstelling. In 2007 ging het open en sindsdien houdt Bakels zich bezig met het tentoonstellingsbeleid. Vooral de expositie De Vogelvanger (2015), over zelfmoordpreventie, trok aandacht. Babs Bakels werd opgeleid als beeldend kunstenaar en studeerde daarna kunstgeschiedenis aan de VU. Het interview vond bij haar thuis plaats in Amsterdam.

Peter van Dael

Pater jezuïet Peter van Dael (79) heeft kunstgeschiedenis gedoceerd aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Pontificia Università Gregoriana in Rome. Hij reageert telefonisch: 'Babs Bakels, ja dat is een origineel type. Een beetje filosofisch. Ik vond haar merkwaardige belangstelling interessant en het contact was heel plezierig. Door mijn eigen onderzoek naar relieken en dodeniconografie hadden we raakvlakken, ook al gaf ik les in oude kunst en had zij het over het nu. Die hedendaagse kunst is natuurlijk wat extremer. Studenten die beeldend kunstenaar zijn, zoals zij, zijn vaak creatiever in hun onderwerpkeuze dan academici. Ze is ontzettend leuk gaan schrijven, ook in wat ze nu voor het museum doet. Dat volg ik op afstand.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden