Opinie verschoningsrecht

Het doorbreken van het verschoningsrecht is een inbreuk op het functioneren van de vrije pers

Hoe gruwelijk een moord ook is, de vrije pers en dito nieuwsgaring mag er niet voor worden opgeofferd, betoogt Maarten Pijnenburg.

NOS-verslaggever Robert Bas in de rechtbank waar de raadkamer uitspraak doet in de gijzelingskwestie. De journalist wordt vastgehouden omdat hij weigert als getuige in een strafzaak vragen te beantwoorden. Beeld ANP

Eind vorige week kwam er een ontknoping in de kwestie over het verhoor van de NOS-journalist Robert Bas.

Al eerder dit jaar had de rechter-commissaris besloten dat de journalist als getuige zou worden gehoord in de strafzaak tegen René F., die verdacht wordt van betrokkenheid bij de moord op ggz-directeur Rob Zweekhorst. De naam van de journalist dook op in de afgeluisterde gesprekken van de voormalige politie-informant Mustafa B. Het ging hier dus niet om het afluisteren van Bas.

De vraag die hier aan de orde is: geldt het wettelijk verankerd verschoningsrecht alleen voor het onthullen van de identiteit van een bron, of is er een ruimer bereik van de journalistieke bronbescherming?

Het is in een democratie algemeen aanvaard dat journalisten het recht hebben om hun bronnen te beschermen. Als dit niet het geval is, dan zou niemand meer op een vrije manier contact kunnen hebben met een journalist zonder het risico te lopen zelf in een opsporingsonderzoek te worden betrokken. Journalisten zouden de verlengde arm van de opsporing kunnen worden en dit verdraagt zich niet met vrije nieuwsgaring .

In de zaak tegen René F. was er geen discussie over wie de bron was met wie Robert Bas sprak. Maar hoe zit het met andere informatie die Bas mogelijk van deze bron heeft gekregen, terwijl iedereen weet wie die bron is? Geldt daarvoor ook het verschoningsrecht? De rechter-commissaris vond van niet en bepaalde dat de journalist moest worden gegijzeld. Een vrij brute actie, tegen iemand die zich louter professioneel met deze strafzaak bezighield.

Aan de verdediging heeft het niet gelegen. Er werd een beroep gedaan op de ruimere uitleg van het verschoningsrecht door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Er was in Rotterdam de volgende dag al een raadkamerzitting, waarbij er een streep werd gehaald door de misslag van de rechter-commissaris, en gelukkig is Bas weer vrij man.

Interpretatie

In deze zaak was het evident dat het verschoningsrecht door de rechter verkeerd werd uitgelegd. Toch kunnen er zich situaties voordoen dat de rechter anders zou moeten beslissen. Het verschoningsrecht is wettelijk niet in beton gegoten.

In de bepaling over het verschoningsrecht (218a Sr) is opgenomen dat de rechter het beroep hierop kan afwijzen als aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang een onevenredig grote schade zou worden toegebracht. Deze bepaling legt een grote verantwoordelijkheid bij de rechter om het fundamentele belang van bronbescherming af te wegen tegen het ondervragingsrecht van de verdediging of het Openbaar Ministerie. Het ging hier om een heel lelijke strafzaak; een vergismoord op een volstrekt onschuldige burger. Vreemd genoeg maakt de beslissing van de rechter-commissaris geen melding van deze belangenafweging, maar gaat die alleen maar in op de vraag hoe beperkt het verschoningsrecht moet worden uitgelegd.

Journalisten, en met name misdaadjournalisten, bezitten vanzelfsprekend een goudmijn aan informatie die van belang kan zijn voor de opsporing. Toch zou het doorbreken van het verschoningsrecht een enorme inbreuk zijn op het functioneren van een vrije pers.

Wanneer zou de doorbreking van het verschoningsrecht dan wel zijn gerechtvaardigd? Om het maar eens in het absurde te trekken: kan de journalist, aan wie een serieuze bron kenbaar heeft gemaakt een aanslag te willen plegen op het Centraal Station, een gerechtvaardigd beroep doen op dat verschoningsrecht?

Wat mij betreft niet. De oud-hoogleraar Ties Prakken heeft ooit betoogd dat voor journalisten dezelfde grenzen dienen te worden gehanteerd als voor de klassieke ‘geheimhouders’ zoals advocaten en artsen. Namelijk de strafbepalingen 135 en 136 van het wetboek van Strafrecht, welke de burger verplichten aangifte te doen wanneer hij kennis heeft van voorgenomen zeer ernstige misdrijven of van gepleegde misdrijven, waarvan de gevolgen nog kunnen worden voorkomen.

Cru

Dit lijkt mij een redelijke scheidslijn. Hoe gruwelijk en schokkend de moord op Zweekhorst ook mag zijn, voor een gepleegde moord kan, hoe cru dit ook klinkt, de vrije pers niet worden geofferd.

De bronbescherming ligt min of meer in het verlengde van de geheimhouding die wij als advocaten hebben in relatie tot onze cliënten. Als wij verplicht zouden zijn om te spreken, dan zouden er wellicht moorden kunnen worden opgelost.

Voor ons is de schending van de geheimhoudingsplicht eenvoudigweg strafbaar en om dit principe te verstevigen kan wat mij betreft de strafbedreiging van een jaar nog wel omhoog. Voor een journalist voor wie dit niet geldt, dient men extreem terughoudend te zijn bij het toepassen van dit soort ingrijpende dwangmiddelen.

Maarten Pijnenburg is strafrechtadvocaat. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden