Column Max Pam

Henk Wesseling: een keurige Leidse professor met een on-Hollandse levensdrang

De historicus H.L. (Henk) Wesseling, die vorige week op 81-jarige leeftijd is overleden, zou de P.C. Hooftprijs zeer hebben verdiend. Hij kreeg hem niet, waarmee de jury zich voor eeuwig heeft geblameerd en wat de leden extra valt aan te rekenen omdat zij wisten dat Wesseling ernstig ziek was en zich geen andere gelegenheid meer zou voordoen. Wesseling, niet wars van eerbetoon, had de prijs maar al te graag ontvangen. Toen ik een keer suggereerde dat hij hem moest krijgen, schreef hij me: ‘Mijn hart sprong op van mijn vreugde gelijk het kind in de moederschoot’.

In 1993 kreeg ik voor de eerste keer een briefje van hem. Wesseling was mentor geweest van Willem-Alexander en onder zijn supervisie was ook de doctoraalscriptie van de kroonprins tot stand gekomen. Die scriptie ging vermoedelijk over de relatie tussen generaal De Gaulle en de NAVO, maar omdat het een werkstuk was van een lid van het Koninklijk Huis, lag het nergens ter inzage, ook niet op de Leidse universiteitsbibliotheek. Wetenschappelijk werk wordt geacht openbaar te zijn, waarop men zich in republikeinse kringen begon af te vragen of het niveau van de scriptie wellicht zo laag was dat afzien van publicatie de betere optie was.

Om de kwestie voor altijd op te lossen, schreef ik toen een bruut stukje, waarin ik verklaarde dat ik dankzij mijn geheime connecties bij de Leidse universiteit de hand had gelegd op de scriptie. En wat bleek? De scriptie stond vol met historische ontdekkingen, waarvan de belangrijkste was dat De Gaulle niet zoals altijd werd gedacht erg lang was, maar slechts 1 meter 64. De Sûreté had voor de Franse generaal speciale plateauschoenen ontwikkeld, zodat hij zonder gezichtsverlies zijn plaats kon innemen op het wereldtoneel.

Enfin, dat ging zo door met die bijzondere ontdekkingen van Willem-Alexander, allemaal onzin natuurlijk. Mijn stukje eindigde met: ‘Het verdient aanbeveling ook de drs.-titel voor leden van het koninklijk huis erfelijk te maken’.

In zijn briefje feliciteerde Wesseling mij met mijn ‘uitstekend speurwerk’. Hij noemde Willem-Alexander ‘intelligent, maar geen intellectueel’. Ik vroeg hem hoe W-A’s moeder over zo’n kwalificatie zou denken, waarop Wesseling mij bij hem thuis uitnodigde voor een goed glas wijn. Zoals het de ware francofiel betaamt, was wijn de smeerolie in zijn menselijke relaties. Nog in zijn laatste boek Daverende dingen dezer dagen vertelt hij over een etentje bij Franse vrienden, waar men een fles de man opdrinkt. Wanneer de gastheer aan het eind vraagt of iemand nog calvados wil, of een armagnacje, wordt verontwaardigd geroepen: ‘Pas d’alcool! Jamais d’alcool!’. Wijn is meer een verrukkelijk soort water waarmee je je dorst lest, zo zag Wesseling dat ook. Hij was een keurige Leidse professor met een on-Hollandse levensdrang. Iemand met veel gevoel voor humor en ironie, wat je in de Nederlandse literatuur doorgaans meteen verdacht maakt.

Na dat eerste briefje hebben wij een onregelmatige correspondentie gevoerd. Wel werd onze band vaster toen wij praktisch tegelijkertijd werden ontslagen als columnist bij NRC Handelsblad door een lompe hoofdredacteur, die wij beiden aanzagen voor een miezerig mannetje. Pikant dat de NRC zich gisteren afvroeg waarom Wesseling nooit de PC Hooftprijs heeft gekregen.

Wesseling heeft een paar geweldige essays geschreven, gebundeld in een paar geweldige boeken. Zijn verhandeling over de kosten en baten van het kolonialisme is mij altijd bijgebleven. Het kwam erop neer dat de koloniale landen per saldo meer aan hun koloniën hebben uitgegeven dan zij eruit hebben gehaald, een dwarse mening die hem niet door iedereen in dank werd afgenomen en die je tegenwoordig maar beter voor je kunt houden. Hetzelfde geldt voor zijn bundel Oorlog lost nooit iets op. Dat hoor je vaak, maar is zeker niet altijd waar. De Tweede Wereldoorlog bijvoorbeeld heeft van alles opgelost. De mensheid heeft ook enorm geprofiteerd van de ondergang van de nazi’s.

In Wesseling gingen twee jaloersmakende eigenschappen schuil. Hij was een levensgenieter van het Bommel-type én hij was een onvermoeibaar harde werker. Een half jaar lang maakte ik hem mee op het NIAS-instituut, waar hij mij naartoe had gehaald. Officieel gepensioneerd zat hij daar elke dag op zijn kamer te werken aan een boek over zijn vader. In het slothoofdstuk citeert hij Fernand Braudel, die heeft gezegd: ‘De macht van de historicus is de doden tot leven te brengen.’ Daar voegde hij een typische Wesseling-opmerking aan toe: ‘Het is mooi gezegd, maar ik geloof niet dat het waar is. Ik bezit die macht in elk geval niet.’ Voor wie zijn boek over De Gaulle heeft gelezen De man die nee zei klinkt dat al te bescheiden.

Overigens was De Gaulle 1 meter 96 lang.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.