ColumnPeter Buwalda

Heb ik weer, spreek ik eens iemand, zit mijn huig in een stofzuiger

null Beeld
Peter Buwalda

’s Middags ging ik naar de tandarts. Boren. Eigenlijk moet je ’s ochtends gaan, want als ze je ’s middags verdoven, kun je bij het avondeten zomaar je tong opeten. ‘Lekker sausje zeg’, terwijl het bloed over je kin loopt. Heb ik een keer gehad. Maar goed, hardleers natuurlijk, ik weiger nou eenmaal een wekker te zetten, sowieso niet, en al helemaal niet voor de tandarts. Liever grotere problemen die zich evenwel later zullen manifesteren. (Toch stemde ik links, gelukkig.)

Dus daar zat ik, tegen etenstijd, met een gevoelloos rechteroor, geen kin, geen rechterwang, en een halve tong. (Een voordeeltje was dat ik de 29 zetels van extreem-rechts even niet voelde.)

‘Duuwt uwen’, legde ik Jet uit, die ‘nul gaatjes’ heeft. Ze ging eten bij d’r oma, die ik schoma (schoonoma) mag noemen, wat onverlet laat dat ik zelf geen oma meer heb. Wel gaatjes, geen oma, geen wang, geen tong, oprukkend nationaal-socialisme. Zelf eten opwarmen. Een depressie lag op de loer.

Bij de tandarts was het nochtans vrolijk begonnen, ik heb een geestige tandarts, om te beginnen is hij zelf bang voor de tandarts. Als hij moet, verdooft hij zichzelf alvast thuis, voor de badkamerspiegel...

‘Heb je al eens geschreven in een column.’

...zodat het alvast een beetje kan intrekken. (Lui met nul gaatjes moeten zich er niet mee bemoeien.) Wat bevestigt wat ik altijd al gedacht heb, namelijk dat de verdoving pas uren later z’n piek bereikt, na twee uur zeveren voel ik niet eens mijn haarwortels meer, dan heb ik een soort rubberen badmuts op, alsof ik Tommy Wieringa ben met een pruik, wat ze ook altijd tegen me zeggen, op straat.

Mijn tandarts bleek te spreken over de avondklok. ‘Ik heb broers en zussen met kinderen’, zei hij. ‘Zonder corona heb ik 168 verjaardagen per jaar. Wat denk jij’, vroeg hij, ‘zullen ze nog terugkeren? Verjaardagen?’

‘Ih oop et iet’, zei ik. Heb ik weer, spreek ik eens iemand, zit mijn huig in een stofzuiger.

‘Nooit meer barbecuen bij de buren’, zei hij dromerig. ‘Niet meer dat gezoen.’

Hij had een nieuwe assistente, een mediterrane jongedame die het Nederlands nog niet volledig meester leek, maar ach, kiespijn is een soort Esperanto, ik heb in Chinese en Chileense stoelen gelegen, no probz.

‘Zoenen ze bij jullie ook?’, vroeg de tandarts.

‘Volgende weekje’, zei de assistente. ‘Is cursus van veel maand.’

‘Mooi’, zei hij vriendelijk. ‘En heb je er zin in?’

‘Heel meer’, zei ze enthousiast, ‘maar moeilijk.’

‘Is het ook’, zei mijn tandarts deadpan. ‘Maar het gaat vast goed. Uitharden graag.’

Uren later moest de zombie eten. En niet zijn tong. In een bakje zaten kikkererwten die ik kon opwarmen. Piekerend over Janmaat zette ik de zaak op het vuur. Ik nam alvast een hapje, dat ik via de Ploumen-Sylvana-Marijnissen-kant probeerde door te slikken.

Er miste iets. In de fridge zag ik een opmerkelijke pot staan, voor driekwart gevuld met tot ringetjes gesneden pepertjes. Handig!

’s Avonds, toen Jet terug was van schoma, vertelde ik erover. Heerlijk. En mijn tong deed het weer.

‘Wát??’, zei ze. ‘Heb jij die pot…! Nérd! Dat is voor de shatta! Die moeten fermenteren! Dus jij schroeft gewoon die pot open als je in de koelkast staat te loeren? Nérd! Jij denkt niet wat een rare pot? Heeft die pot een bedoeling? Nérd!’

Asjemenou.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden