Opinie Taal

Hé Engelstalige oproepkracht, praat Nederlands met me, al is het maar een beetje

In de randstad spreekt steeds meer winkel- en horecapersoneel geen Nederlands. Dat getuigt van een vreemde kijk op ‘hospitality,’ betoogt Mirjam Schöttelndreier.

Bij een Amsterdams restaurant worden passanten gewezen op de Engelse menukaart. Beeld Rebecca Fertinel

Ter kennismaking ga ik een kopje koffie drinken met een nieuwe collega, buiten de deur. Zij zit al aan een tafeltje als ik kom aanlopen en ik zie dat de serveerster haar net een kop koffie heeft gebracht. Ik vraag of ik misschien ook iets mag bestellen. De serveerster kijkt me vaag aan. Ik herhaal: of ik ook een kop koffie met melk kan bestellen, voor datzelfde tafeltje. Geen cappuccino, maar een gewone koffie met melk? Dus? Weer die vage blik. En dan doorbreekt ze de oncomfortabele formerly known as ongemakkelijke situatie: ‘In English please’.

Dat zal wel lukken. Maar hoe moeilijk is het om als je in een lunchcafé werkt jezelf een paar woorden en zinnetjes aan te leren waarmee je je Nederlandse klandizie kan benaderen en verstaan? Bij het afrekenen blijkt dat ik niet toevallig een oproepkracht uit een Engelstalig buitenland heb getroffen, want binnen staat een meneer bij de kassa die duidelijk haar zakenpartner is en evenmin het Nederlands machtig is. Hij is vriendelijk, maar er zit geen woord Hollands bij.

Verbaasd denk ik: je neemt een lunchcafé over, want ik weet dat hiervoor andere mensen de tent runden, en dan spreek je geen woord Nederlands en probeer je niet eens iets te stamelen in je nieuwe landstaal? Vreemde kijk op hospitality.

Vestje zoeken

Dezelfde taferelen spelen zich in vooral kledingzaken ook af. Je vraagt een in ganzenpas voorbij denderende winkeldame of ze weet waar de vesten hangen, of er ook een maat kleiner voorhanden is, en dan klinkt het in wisselende gradaties van vriendelijkheid: ‘English please!’ Ach, de cárdigans, hoe kon ik zo dom zijn een vestje te zoeken. De rest laat ik maar zitten, I search wel for myself. De studentikoze medewerker is niet voor mij ingeroosterd, maar voor toeristen. Wat doe ik als Dutch local ook in de Bijenkorf of H&M te Amsterdam International?

Die lichte irritatie is niet helemaal particulier. Dagblad Metro peilde al eens bij 1.400 Nederlanders hoe ze de Engelstalige benadering op het terras en in het pashokje vonden: tweederde beviel het niks. Het AD ging in Den Haag op onderzoek: 73 procent van de ondervraagden vond het niet fijn in winkel of horeca te worden aangesproken in het Engels.

Natuurlijk, er is die andere kant van de medaille: de Randstad is een internationale gemeenschap en wordt bedolven onder toeristen. ‘Er zijn op de universiteiten en hogescholen studenten uit alle delen van de wereld en die vinden het net als toeristen en expats fijn om in het Engels geholpen te worden’, zegt Jeroen van Dijken van INretail, de landelijke brancheorganisatie van modezaken. En dan zijn er nog die eindeloze vacatures. Van Dijken: ‘Het aanbod schept de vraag: al die studenten willen ook graag iets bijverdienen, dus zijn werkgevers blij als zij zich melden om te werken.’

Wat is er mis met een kosmopolitische metropool, waar je als toevallige Nederlander steeds vaker je biertje of broodje in de nieuwe lingua franca moet bestellen? Ik mag blij zijn dat ik nog bij iemand iets kán bestellen. Schuilt in mij een vreemdeling-in-eigenland-huiliebalkie, een vleugje rancuneus nationalisme, omdat op mijn oude barkruk nieuw volk zit te zitten? Het kortste antwoord is ja. Maar gelukkig schieten hier de middenstand- en horeca-vertegenwoordigers mij te hulp. ‘De acceptatie bij gasten staat of valt bij de geboden gastvrijheid. Dat gaat over landsgrenzen heen’, zegt bijvoorbeeld Robèr Willemsen, voorzitter van de Koninklijke Horeca Netherlands (!). Hij staat pal voor het Europa van de vrij bewegende werknemer, zeker in een toch al krappe arbeidsmarkt en een groeiende horeca. Somber is hij niet over de taalkwestie. ‘In de regel gaat dat heel goed.’

Ben je gek, ofzo?

En daar zit het addertje: in de regel gaat het goed. Maar die uitzonderingen blijven je zo lang bij. Bijvoorbeeld als de vraag om Engels te praten richting snauw gaat en de verveelde toon waarop ‘Sorry, I don’t speak Dutch’ de ondertoon zo voelbaar is: ben jij gek ofzo? Inmiddels bestaat in de Randstad volgens INretail een deel van het winkelpersoneel uit jonge, buitenlandse medewerkers, vaak studenten, die als oproepkracht werken of een bijbaan hebben. Van Dijken heeft daar geen oordeel over, core business is voor hem klantvriendelijkheid, die moet de norm zijn en blijven. ‘De klant is koning en personeel dat niet zo met z’n klanten omgaat, heeft gewoon een verkeerde attitude. Dat gaat voorbij de taalkwestie.’

Klopt, maar als ik in Parijs ben, probeer ik wat Frans, in China oefen ik op de groet. Niet veel, maar andermans taal gebruiken is een teken van interesse. Ook dat hoort, andersom, bij een gastvrije attitude. Dus hé, jij komt hiernaartoe, superleuk, maar toon dan ook een beetje belangstelling voor de taal die ze hier spreken. Want jij, Engelstalige oproepkracht of caféhouder, bent allesbehalve een analfabeet, je bent een zelfverzekerde globetrotter of ondernemende avonturier, dus: praat Nederlands met me, al is het maar een beetje.

Mirjam Schöttelndreier is redacteur van de Volkskrant

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden