Column Sylvia Witteman

Had nou echt niemand gezien hoe ik op het nippertje aan een stompzinnig noodlot was ontsnapt?

Ik fietste door zo’n niet onvergetelijk buurtje in West waar de straten naar dito dichters heten. Het was koud en het stormde; tot voor kort heette dat ‘rotweer’, maar tegenwoordig denk ik dan – ongetwijfeld ten onrechte – hoopvol dat het met die opwarming van de aarde misschien toch nog een heel klein beetje meevalt.

Mijn tochtje voerde door de uitgestorven Borgerstraat. Van Elias Borger ken ik precies één dichtregel: ‘Zo rust dan eindelijk het ruwe noorden.’ Ik heb geen idee welk noorden hij bedoelde, waarom het daar ruw was en hoe de boel daar eindelijk tot rust is gekomen, want die regel is op oneigenlijke wijze in mijn hoofd beland, namelijk via de wel degelijk onvergetelijke vroeg-20ste-eeuwse kinderboekenschrijver J.B Schuil.

Hij voert een leraar Nederlands op die de r niet kan zeggen: ‘Zo just dan eindelijk het juwe noojden.’ Flauw, natuurlijk, maar een dikke eeuw later moest ik toch glimlachen bij die toevallige herinnering.

‘Herinnering is als een hond die gaat liggen waar hij wil’, schreef Cees Nooteboom, ook alweer veertig jaar geleden, in zijn toenmalige bestseller Rituelen (‘Jituelen’) en terwijl ik daaraan dacht, hoorde ik achter me een krakende plof.

Ik draaide me om en zag een grote, zware plantenbak liggen, van houten duigen met metalen hoepels erom, helemaal uit het lood door de val. De aarde was er in grote kluiten uitgespat en in het midden van die vernielde pot stond, keurig rechtop, het verdorde restant van wat ooit waarschijnlijk een ficus was, te sidderen in de storm.

‘Hé!’, riep ik en keek omhoog tegen de gevel. Ik kreeg geen antwoord. Er waren wel een stuk of tien balkonnetjes te zien, die stuk voor stuk, fluitend in de wind, deden alsof hun neus bloedde. Ook een plantenbak gaat liggen waar hij wil; in dit geval amper 2 meter naast me.

‘Hé!’, riep ik nog eens tegen de gevel. Geen sjoege. Zaten ze daar boven allemaal gehurkt achter de bank te wachten tot ik opdonderde? Of had er écht niemand gezien hoe ik op het nippertje aan een stompzinnig noodlot was ontsnapt?

Er zat weinig anders op dan maar gewoon door te fietsen, en onderweg lekker te bedenken hoe ik het voorval in geuren en kleuren aan mijn kinderen zou opdissen; ja, ik zou de woorden ‘rakelings’ en ‘uiteenspatten’ niet schuwen, de omvang van die plantenbak met beide armen enorm overdrijven en met trillende stem iets stamelen over een ‘wisse dood’, waarop mijn kinderen stellig iets smalends zouden zeggen, in de trant van ‘eindelijk rust’.

Daar zouden ze nog gelijk in hebben ook.

Maar ja, ik ben het ruwe noorden niet. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.