Opinie

Guy Verhofstadt: 'Europa? Dat is onze verdomde plicht!'

Guy Verhofstadt, leider van de liberalen in het Europees Parlement en ex-premier van België, hield vandaag de 31ste Van der Leeuwlezing. 'Er is een schrijnend gebrek aan zeggenschap van de Europese burger zelf.' Lees hier de volledige lezing terug.

Guy Verhofstadt Beeld epa

Dames en heren,

Zoals bij elke economische crisis het geval is, doemt ook nu weer het spook op van het nationalisme. Niet alleen van het politieke nationalisme, maar nog meer, nog veel intenser van de economische variant ervan, het protectionisme.

Dat was ook zo na de eerste échte mondiale crisis die deze planeet ooit gekend heeft: 'the Long Depression' die begon in 1873 en die meer dan twintig jaar zou duren. Die crisis sleepte zo lang aan omdat er voortdurend protectionistische maatregelen werden uitgevaardigd. Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten waren immers in een wedloop verwikkeld geraakt die leidde tot steeds hogere importtarieven. Slechts weinige landen waaronder Nederland en het Verenigd Koninkrijk hielden vast aan de vrijhandel.

Een tweede golf van economisch nationalisme en protectionisme overspoelde de wereld na de beurscrash op Wall Street in 1929. Ook toen haalden de meeste handelsnaties het protectionistische wapen van stal, niet in het minst de Verenigde Staten van Amerika met de beruchte "Smoot Hawley Tariff Act". Met deze wet trokken de Verenigde Staten zich terug achter hoge muren, meer bepaald importtarieven die de hoogste waren in honderd jaar. Vandaag veroordeelt Ben Bernanke, het hoofd van de Amerikaanse centrale bank, die aanpak - en ik citeer - als 'uiterst contraproductief', een aanpak die - en ik citeer opnieuw - 'heeft bijgedragen aan de duur en diepte van de wereldwijde Depressie.'

Dat de mens een tergend traag lerende diersoort is, bleek uit de reactie die volgde op de financiële crisis van 2008. In Groot-Brittannië beloofde Gordon Brown 'British jobs for British workers'. En in Frankrijk werd de presidentiële campagne tussen François Hollande en Nicolas Sarkozy overschaduwd door een opbod in protectionistische retoriek. Peilingen gaven immers aan dat tachtig procent van de Franse kiezers tegen de globalisering is.

Opmars
Maar Europa is niet het enige continent waar het economisch nationalisme en het protectionisme opnieuw aan een opmars bezig zijn. Onder invloed van Argentinië dreigt de Zuid-Amerikaanse vrijhandelszone Mercosur te pas en te onpas met tariefverhogingen. Dat is ook het geval met China, een natie die met verve illustreert dat economisch protectionisme niet per se defensief hoeft te zijn. Dat het ook assertief kan zijn. Of beter agressief. Zelfs de kampioen van de vrijhandel, de Verenigde Staten ontsnapte niet aan de protectionistische koorts. In de 'Recovery and Reinvestment Act', de officiële benaming van het zogenaamde Obamaplan uit 2009, werd een 'Buy American'-clausule opgenomen die stelt dat de toegezegde overheidshulp alleen gebruikt mag worden als 'ijzer, staal en afgewerkte producten voor het project geproduceerd zijn in de Verenigde Staten' (sic).

Het hemeltergende aan die bestendige heropflakkering van het economisch nationalisme en het protectionisme, is dat we al lang zouden moeten beseffen dat zulks niet functioneert. Al bijna tweehonderd jaar geleden in 1817 publiceerde David Ricardo zijn theorie over de 'comparatieve voordelen'. In mensentaal betekent dat 'wie zich afsluit van vrijhandel, er economisch op achteruit gaat'.

Hoe vanzelfsprekend die wijsheid ook klinkt, toch steekt het tegendeel, m.a.w. het afschermen van de eigen volkshuishouding van de weeromstuit de kop op. Maar waar voorheen dit fenomeen beperkt bleef tot de afscherming van de handel tussen enkele industriële grootmachten, is het thans een wereldomvattende aandoening geworden. Een probleem dat dus een stuk ernstiger is geworden is dan voorheen. In elk geval is de inzet een stuk groter geworden. De gehele wereldeconomie is de afgelopen decennia pijlsnel geglobaliseerd. De vijfhonderd grootste multinationale bedrijven zijn goed voor 70 procent van de totale wereldhandel. Een positie die zij de afgelopen twintig jaar stelselmatig hebben geconsolideerd. Een ander gegeven dat die de globalisering goed illustreert, is de vaststelling dat meer dan de helft van de grootste economieën ter wereld gewoon bedrijven, simpele ondernemingen zijn. Multinationale ondernemingen vanzelfsprekend.

 
Dat de mens een tergend traag lerende diersoort is, bleek uit de reactie die volgde op de financiële crisis van 2008

Niets meer in de pap
Hoe dan ook, het zijn feiten en cijfers die doen beseffen dat onze kleine Europese natiestaten niets, maar dan ook niets meer in de pap zullen hebben te brokken in de geglobaliseerde wereld van morgen. Zelfs niet, wanneer Frankrijk zogezegd een politiek van strategische economische consolidatie zou willen voeren. Of wanneer het Verenigd Koninkrijk Britse jobs voor Britse werknemers zou willen veilig stellen. Zo'n aanpak of zo'n benadering lukt gewoon niet meer. Omdat het overgrote deel van onze productie en dus van onze welvaart, gewoon geen nationaliteit meer heeft.

Met andere woorden, het is een illusie te denken dat men nog een economische politiek op nationaal vlak kan voeren. Dat is niet meer dan een slag in het water. Want ieder afzonderlijk genomen, zijn de natiestaten in Europa gewoon dwergen geworden. Ze denken nog een rol van betekenis te spelen, maar in werkelijkheid zijn het nieuwe imperia zoals China of India of multinationale ondernemingen die de spelregels bepalen. Dat is zo op ecologisch vlak. Op economisch gebied. Maar even zeer op het terrein van de financiële of fiscale politiek. De casus van Starbucks die op Brits grondgebied winst draait en mensen tewerk stelt, maar geen belastingen betaalt - op een legale manier welteverstaan - is maar één voorbeeld om dat te illustreren. En zo zijn er honderden, wat zeg ik duizenden, voorbeelden.

Regelrechte absurditeit
Nationale oplossingen voorspiegelen om de wereldwijde financiële crisis te lijf te gaan, is vandaag een regelrechte absurditeit. De vlag van de 'subsidiariteit' waarmee te pas en te onpas wordt gezwaaid, betekent niet dat alle bevoegdheden op het lokaal of het nationaal niveau moet worden gebetonneerd. Wel dat die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend op het niveau, waar dit het best, het efficiëntst, het meest effectief kan gebeuren. En inzake het bestrijden van de economische en financiële crisis, is dat zonder twijfel het Europees niveau.

We zullen op termijn moeten evolueren naar een Europa dat werkelijk bekwaam is om een rol van betekenis te spelen in onze geglobaliseerde wereld. Een Europa dat veel meer zal zijn dan gewoon een eengemaakte markt met op de achtergrond een sterke mededingingsautoriteit. Ook de basisregels voor de inrichting van onze arbeidsmarkt of onze energiepolitiek zullen naar het Europese niveau moeten worden getild. Liever vroeger dan later, om zo tussen de Europese landen een gelijk speelveld te creëren en gezamenlijke spelregels vast te leggen die een impact kunnen hebben op wereldniveau.

 
het is een illusie te denken dat men nog een economische politiek op nationaal vlak kan voeren

We hebben hoe dan ook nood aan een sterk Europa. Een Europa dat haar waarden uitdraagt. En om dat te verwezenlijken, moet een volwaardige buitenlandpolitiek worden gevoerd. Niet een buitenlands beleid dat gebaseerd is op een zwak compromis tussen 28 ministers van Buitenlandse Zaken. Maar een beleid dat rechtstreeks geënt is op onze Europese principes en waarden.

Constructiefout
We moeten absoluut vermijden dat we dezelfde constructiefout maken als deze waarmee we de euro hebben opgezadeld. Een gemeenschappelijk buitenlands beleid moet net zoals een gemeenschappelijke munt geen startpunt, maar het eindpunt zijn van een integratieproces. Om zo'n beleid te kunnen voeren, moet Europa over een volwaardige begroting, met andere woorden over voldoende financiële middelen beschikken. We moeten inderdaad af van een Europese Commissie die niet minder dan 28 commissarissen telt. Eentje voor elk land van de Unie. Ook al hebben we voor die 28 volstrekt niet voldoende bevoegdheden uit te delen of portefeuilles te verdelen. Waar we nood aan hebben is een klein, slagvaardig Europees executief die er staat voor elke Europeaan en niet voor het belang van de eigen nationale achterban. Zo'n Europees executief moet zoals in elke democratie verantwoording afleggen.

Verantwoording aan een rechtstreeks verkozen parlement. Een parlement met volheid van bevoegdheid. Een parlement dat zelf ook voorstellen en initiatieven kan initiëren.

Een lachertje
In tegenstelling tot wat vandaag tot vervelends toe wordt herhaald, is de totale Europese begroting een lachertje, zeker in vergelijking met de begroting van de Verenigde Staten. Vierentwintig maal kleiner in omvang. Dat betekent niet dat er geen verspilling is, of dat er geen overbodige kosten zijn die niet kunnen worden weggesneden. Maar meer Europa kan - hoe paradoxaal het ook klinkt - precies het recept zijn om de financiële problemen op te lossen waarmee velen van onze nationale lidstaten worden geconfronteerd. Een goed voorbeeld daarvan is dat van de defensie-uitgaven. Die bedragen gezamenlijk in de 28 lidstaten zo wat 40 procent van de militaire uitgaven van de Verenigde Staten, terwijl we hoop en al in staat zijn tien procent van de operaties te leveren waartoe het Amerikaanse leger bekwaam is.

Concreet betekent dit dus dat we vier tot vijfmaal minder effectief zijn dan het Amerikaanse militaire apparaat. En dat hoeft ook niet te verbazen, gezien we op zo wat elk vlak 28 maal dezelfde uitgaven doen, dezelfde taken vervullen, dezelfde initiatieven nemen. Het overdragen van soevereiniteit van het nationaal naar het Europese niveau is dus geen verspilling, maar een winst van tijd en middelen indien dit op een intelligente wijze geschiedt. Multinationale ondernemingen waarover ik het in het begin van mijn uiteenzetting had, weten dat al geruime tijd. Door het opzoeken en realiseren van synergiën besparen zij kosten en verhogen zij tegelijkertijd hun productiviteit. De vraag is wanneer onze lidstaten dat ook zullen inzien, in plaats van zoals ze nu doen, als konijnen naar de lichtbak van hun nationale begroting te staren.

 
We moeten absoluut vermijden dat we dezelfde constructiefout maken als deze waarmee we de euro hebben opgezadeld
Beeld epa
 
In tegenstelling tot wat vandaag tot vervelends toe wordt herhaald, is de totale Europese begroting een lachertje, zeker in vergelijking met de begroting van de Verenigde Staten

Telkens ik een pleidooi houd voor een meer geïntegreerd Europa, hoor ik als tegenargument dat we zo onze eigenheid dreigen te verliezen. Onze nationale identiteit. Onze cultuur. Het feit dat we ondertussen massaal jobs verliezen omdat we in de geglobaliseerde wereld van vandaag marktaandelen kwijt raken, lijkt ons minder te deren. Dat is een absurde paradox omdat een meer geïntegreerd Europa, sommigen spreken van een federaal Europa, een bedreiging wordt genoemd voor onze (nationale) identiteit. Het tegendeel is waar. Ik zou kunnen verwijzen naar de vele tolken, vertalers, maar ook structuurfondsen die net een bescherming bieden voor onze culturele diversiteit. Zij faciliteren meertaligheid. Zij beschermen minderheden. Ongeacht of deze nu cultureel, politiek of levensbeschouwelijk van aard zijn. Meer nog, zo'n Europa is juist een dam tegen de natuurlijke hang en tendens van iedere natiestaat naar volstrekte homogeniteit. Een dam tegen het uitschakelen van meertaligheid. Tegen het discrimineren van minderheden. Tegen het opleggen van een culturele of religieuze norm.

Kortom, een dergelijk Europa is in tegenstelling tot wat velen ons voorhouden, juist een waarborg om niet te vervallen in de fouten van het verleden. Wie vandaag naar de talenkaart van de Europese Unie kijkt, ziet dat taal- en landsgrens nagenoeg samenvallen. En in de plaatsen waar er meertaligheid heerst, worden deze talen slechts gedoogd als een soort erfgoed. Zelden worden ze erkend als officiële taal. Dat was vroeger net het tegenovergestelde. Veeltaligheid was de regel. Nu is het de uitzondering. Het resultaat van tweehonderd jaar nationalisme op ons continent.

Gemeenschappelijk draagvlak
Het fundament van een federaal Europa is het behoud van de pluriformiteit, de multiculturaliteit, de meertaligheid, de diversiteit in al zijn vormen. Zo'n Europa veegt die verschillen niet weg. Integendeel. Zo'n Europa gaat op zoek naar wat al deze vormen verbindt. Naar wat ondanks al onze verschillen ons gemeenschappelijk draagvlak is. En dat gemeenschappelijk draagvlak zijn de waarden die we delen, onze gemeenschappelijke principes, onze gezamenlijke idealen: de democratie, de vrije markteconomie, de sociale verantwoordelijkheid, de vrijheid van meningsuiting, de verdraagzaamheid, de vrije beleving van iedere religie of levensbeschouwing, de gelijkheid van man en vrouw. Een ganse waaier van fundamentele overtuigingen waarop elke maatschappij in Europa rust en stoelt.

Ik zeg nadrukkelijk: elke samenleving in de Europese Unie. Ook de Griekse of de Portugese, net zozeer als de Nederlandse of de Deense. Want het is niet juist zoals allerlei populisten, nationalisten en eurosceptici beweren dat er in Europa verschillende maatschappelijke sokkels zouden bestaan, uiteenlopende maatschappelijke draagvlakken die met elkaar incompatibel zouden zijn. Verschillende maatschappelijke waarden die anders worden ingevuld naargelang men zich in het noorden of het zuiden van Europa bevindt, rond de Middellandse Zee of aan de Baltische kust. Dat is larie. Dat is onzin.

Neen, de Grieken worden niet geboren met een niet te weerstane aandrang tot corruptie. De Italianen zijn geen fraudeurs van nature. De Portugezen zijn geen luiaards bij wie het niets doen ingebakken zit. Weet u welke regio's de Vier Motoren van Europa gedoopt werden? Dat zijn naast Baden-Württemberg, Lombardije in Italië, Catalonië in Spanje en Rhône-Alpes in Frankrijk. Voorwaar drie Zuid-Europese regio's.

De zin om te ondernemen is dus niet Noord-Europees, maar Europees. Net zo geldt dat voor de solidariteit met de zwakkeren in de samenleving, de zoektocht naar rechtvaardigheid, de democratische rechten en plichten, de burgerlijke vrijheden. Al deze principes zijn universeel in Europa. Het zijn niet enkel uw richtsnoeren, maar ook die van al uw medeburgers in elk van uw buurlanden, in elk van de lidstaten.

De 'Glorious Revolution' mag zich dan honderd jaar eerder hebben afgespeeld dan 'la Révolution Française'. Ze mag dan zijn ontsproten aan andere mistoestanden. Aan de grondslag liggen echter dezelfde verzuchtingen, dezelfde waarden. Exact dezelfde. Deze van de democratie en van het recht op zelfbeschikking.

 
Neen, de Grieken worden niet geboren met een niet te weerstane aandrang tot corruptie. De Italianen zijn geen fraudeurs van nature. De Portugezen zijn geen luiaards bij wie het niets doen ingebakken zit

De Franse historicus Jacques Le Goff heeft daarover een prachtig boekje geschreven. "L'Europe est-elle née au Moyen Age?" Het antwoord op de titel is 'Oui'. Ja. Er bestaat wel degelijk een Europese cultuur die breed en diep verankerd is. Ondanks de interne twisten die toen op ons continent welig tierden, heeft er zich rond het midden van de 15de eeuw een gemeenschappelijke cultuur met een Europese dimensie ontwikkeld. Een Europese cultuur die volgens Le Goff uitblonk in creativiteit, in innovatie, in een uitzonderlijke 'marche en avant'. Een cultuur die de Chinese dominantie op dat moment overnam. Want terwijl China zich op zichzelf terug plooide, opende Europa zich.

Europa ging op exploratie- en expansietocht. Portugezen, Spanjaarden, Britten, Nederlanders, Italianen. Ze wilden allemaal de wereld ontdekken. Het is niet toevallig het begin van de renaissance. Een Europese cultuur die een nooit eerder vertoonde nieuwsgierigheid aan de dag legde voor wat zich buiten haar grenzen afspeelde. Een nieuwsgierigheid naar andere culturen. Maar even goed naar exotische fauna en flora. Wetenschappers, avonturiers, handelsreizigers, overheidsfunctionarissen. Ze zaten allemaal op dezelfde boot.

Het is deze periode van economische openheid die gepaard ging met een periode van culturele bloei. Dat mag niet verbazen. Vrijhandel brengt mensen bij elkaar. Maakt culturele ontmoetingen vruchtbaar. Er ontstaan uitwisselingen van ideeën. En die uitwisselingen leiden op hun beurt tot nieuwe ideeën, tot nieuwe benaderingen. Een van de meest sprekende voorbeelden uit de recente geschiedenis van die wisselwerking was de China-politiek van Henry Kissinger. Hij beschrijft dit in zijn recentste boek 'On China'. Kissinger was het brein achter die nieuwe China-politiek. Tot dan stonden beide landen met de rug tegen elkaar. Kissinger wilde Amerika nog meer invloed op het wereldtoneel geven. En dat kon niet met de rug gekeerd naar het meest bevolkte land ter wereld. Een nieuw openheid was nodig om nog meer de gang van zaken op wereldvlak te kunnen bepalen.

En voor de anders zo zelfzekere Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken was deze ontmoeting met China een ware openbaring. Onder de indruk van het vernuft dat schuil ging achter de Chinese aanpak, beschrijft hij hoe de Chinezen naar Westerse normen 'conflictvermijdend" werken, terwijl ze toch stevig op hun benen staan, niet zo maar over zich heen laten lopen. Integendeel: vaak worden de Amerikanen in een hoek gedrongen zonder dat zelfs maar in de gaten te hebben. Confucianisme in de praktijk als het ware. De Amerikaan met Duitse wortels is niet te beschroomd om toe te geven dat hij door de ontmoetingen met de Chinese communisten een beter strateeg werd. Een handiger politicus ook.

Maar beter nog dan de persoonlijke ervaring van Kissinger, is dit land, uw land, Nederland een voorbeeld van hoe politieke, economische en culturele openheid samenkomen en elkaar versterken. Althans in de 17de eeuw. Het werd niet toevallig een gouden eeuw. Een eeuw van tolerantie, openheid op de wereld en migratie. Nederland was toen de veilige haven voor politieke vluchtelingen. Uit de Zuidelijke Nederlanden, maar even goed uit Frankrijk en Portugal. Vluchtelingen die een enorme intellectuele bagage met zich meebrachten.

Het was een eeuw met een nooit geziene economische groei, een eeuw die een resem culturele en intellectuele hoogtepunten produceerde. Met schilders als Rembrandt en Vermeer. Met Spinoza. Het was ook de eeuw van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, waarvan het verhaal voortreffelijk illustreert dat om te kunnen meespelen in de wereld, men zich moet aanpassen aan de veranderende omgeving. Dat als de rest van de wereld zich consolideert, men zelf ook moet durven opgaan in een groter geheel.
Want wat ik tot nu toe Nederland genoemd heb, heette in de 17de eeuw uiteraard 'De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden'. Zoals jullie beter weten dan ik, hadden deze Verenigde Provinciën elk hun eigen handelsvloot die ieder afzonderlijk onder zware druk stonden. In 1602 werd beslist om deze handelsvloten te fuseren en dit vanuit zowel een economische als een politieke logica. De economische logica bestond er uiteraard in de rendabiliteit van de handelsvloot te verhogen. De aandeelhouders beseften maar al te goed dat een fusie de enige manier was om te overleven. Door hun kapitaal te poolen konden er meer goederen worden vervoerd met meer schepen. De politieke logica achter de fusie was daarbij niet zozeer of althans niet alleen meer belastingen te innen, wel een maritieme militaire macht te creëren die het met succes kon opnemen tegen de Spaanse vloot. Al die kleine compagnieën waren immers geen partij voor de Spanjaarden. Een verenigde compagnie daarentegen kon en zou een krachtig economisch én politiek wapen worden.

Ongetwijfeld vond elke Nederlandse Provincie dat zij over haar eigenheid moest waken. Holland is immers Friesland niet. En Friesland Zeeland niet. Ongetwijfeld vond ook iedereen het uiterst noodzakelijk dat elke Provincie daarbij over een eigen handelsvloot beschikte. Niemand heeft echter op één moment gedacht dat dergelijke fusie er om die redenen niet kon komen. Niet voor de Verenigde Provinciën. Niet voor de Verenigde Compagnie. Kortom, de gouden eeuw werd ingezet door een federatie op te bouwen. Een federatie van provincies. Een federatie van handelsvloten. De Verenigde Oost-Indische Compagnie had op haar hoogtepunt meer dan honderd schepen in haar Indische Vloot. Ze had drieduizend werknemers in Nederland en niet minder dan 25 000 in Azië. Een multinational "avant la lettre" als het ware.

De economische boost die dit meebracht, leverde ook een culturele bloeiperiode op incluis een kunstproductie om van te duizelen. Ik vermeldde al Vermeer en Rembrandt. Maar Nederland produceerde toen naar schatting drie miljoen schilderijen. Door niet minder dan vijfduizend kunstenaars. Het was ook de start van een van de grootse literaire periodes uit de Nederlandse Geschiedenis: Van den Vondel, Hooft, Bredero.

Maar om het met Bredero te zeggen: 'het kan verkeren'. In de achttiende eeuw werd de neergang van de Verenigde Oost-Indische Compagnie ingezet. Door corruptie, maar ook - en daarmee keer ik terug naar het begin van mijn uiteenzetting - door allerhande protectionistische afspraken. Japan sloot zich economisch af van de wereld. Goud- en zilverhandel met het land van de rijzende zon werden onmogelijk. Frankrijk en Engeland eisten bovendien met geweld hun deel op van de koek. Het genadeschot voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie werd uiteindelijk gegeven in de oorlog met Engeland. Die legde alle handel twee jaar stil. Obligaties uitgegeven door de Compagnie werden nagenoeg onverkoopbaar. Het was het begin van het einde. En met de economische neergang werd ook de culturele aftocht geblazen. Frankrijk, Duitsland en Engeland namen het over van Nederland. De achttiende eeuw werd de eeuw van Goethe en Bach. Van Diderot en Voltaire. Van David Hume en Immanuel Kant. Maar niet van grote Nederlanders.

 
Er bestaat wel degelijk een Europese cultuur die breed en diep verankerd is. Ondanks de interne twisten die toen op ons continent welig tierden, heeft er zich rond het midden van de 15de eeuw een gemeenschappelijke cultuur met een Europese dimensie ontwikkeld

Dames en Heren,
Ik geloof niet dat er een exacte één-op-één relatie bestaat tussen economie en kunst. Of dat men de relatie tussen beiden in een wiskundig model kan vastleggen. Ik geloof wel dat beide een vrije ruimte nodig hebben om te kunnen gedijen. En dat het quasi onmogelijk is om deze vrije ruimtes van elkaar gescheiden te houden.

Er zijn landen die dat proberen. Rusland en China bijvoorbeeld. Zij pogen economische vrijheid toe te laten zonder hun bevolking politieke en culturele vrijheid te gunnen. Maar ik denk dat zij finaal zullen falen. Zij stoppen zoveel energie in het indijken van de politieke en culturele ruimte dat dit uiteindelijk ook de economische ruimte en dito resultaten gaat aantasten. Of omgekeerd. Indien zij de economie blijven liberaliseren, zal uiteindelijk ook de politiek en de cultuur moeten volgen. Ook die zullen moeten worden geliberaliseerd. Doen zij dat niet, dan zal hun economisch succes allerminst duurzaam zijn van aard. Omdat het niet gestoeld zal zijn op een vrij denken, op innovatie, op een ruimte waarin creativiteit bovenaan staat. De Russische groei wordt vandaag uitsluitend gedreven door olie- en gasroebels. De Chinese groei is voor een groot deel te danken aan de manipulatie van de Renminbi, aan het kopiëren van buitenlandse innovaties, aan het afsluiten van grondstoffencontracten in Afrika. Niet aan het creëren van een vrije ruimte, van een creatieve omgeving.

Europa bezit die vrije, creatieve ruimte wel. Of zou ze in ieder geval kunnen bezitten. Zowel economisch als cultureel. Desondanks gebruiken we ze niet of in elk geval niet optimaal. Wat een enorme verspilling van talent betekent. De Europese ruimte blijft gefragmenteerd, onvolledig, overgereguleerd. Een eengemaakte digitale markt is er niet. Een Europese arbeidsmarkt evenmin. De arbeidsmobiliteit is miniem. Een Europees patent staat nog steeds niet helemaal in de steigers. Een bankenunie is nog altijd het voorwerp van verhitte discussies tussen de lidstaten. Kortom we blijven aarzelen het beleid op een Europees niveau te tillen. Economisch, sociaal, fiscaal. Terwijl de uitdagingen waarvoor we staan nu net alleen op Europees vlak kunnen worden te lijf gegaan. Terwijl op dat niveau onze kennis en onze ervaring beter zouden kunnen renderen.

Het is niet zo dat dit niet kan wegens de immense verschillen, de grote tegenstellingen binnen Europa. Dat is onzin. Er bestaan ondragelijke schulden en tekorten in quasi alle landen van de Europese Unie. Er is geen wezenlijk onderscheid tussen het bureaucratisch centralisme in Den Haag en het Jacobinisme in Parijs. Er zijn geen onoverbrugbare verschillen tussen de Italiaanse welvaartstaat en de Zweedse. Om het cru te stellen: beide varianten zijn uit de koker van dezelfde Duitser gekomen: Otto von Bismarck. De fundamenten zijn net eender. Iedere lidstaat bezit een rechtstaat. Elke lidstaat biedt een sociaal vangnet aan. Elk van hen heft daartoe btw en inkomstenbelastingen, werknemers- en werkgeversbijdragen. De verhoudingen tussen deze bouwstenen kunnen dan misschien enigszins verschillen, maar dat zijn details, kleine bijzonderheden. Het verzekerings- en solidariteitsprincipe dat er aan ten grondslag ligt, is wel degelijk hetzelfde.

Laat mij de vraag anders stellen. Verliezen we echt onze nationale eigenheid wanneer we de klimaatverandering samen te lijf gaan ? Of wanneer we gezamenlijk regels uitvaardigen om de verspreiding van toxische financiële producten te vermijden? Of wanneer we een bijdrage van de banken vragen, een bijdrage die gelinkt is aan hun risicoprofiel of aan de omvang van hun financiële transacties en die moet dienen om het Europese bankwezen te herkapitaliseren en zo opnieuw gezond te maken. Vandaag hebben België, Finland, Zweden, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en nog drie andere Europese landen al zo'n bijdrage. Is het dan zo onlogisch om dit Europees te regelen, in plaats van zoals nu gebeurt de nationale belastingbetaler de rekening te laten betalen?

Een gemeenschappelijk economisch, en tot zekere hoogte ook sociaal en fiscaal beleid. Dat is de logica achter onze gemeenschappelijke munt. Die moet ondersteund worden door een gemeenschappelijke autoriteit. Want er bestaan wel staten zonder munt. Maar een munt zonder staat bestaat niet. Heeft ook nooit bestaan. Kan ook niet bestaan. Tenzij de euro misschien. Maar met alle gevolgen van dien.
We moeten dus af van het verhaaltje dat wanneer we beleid op het Europees vlak bepalen, we minder effectief zouden zijn. Maar wat dan met de democratie, wat met de zeggenschap, wat met die andere kritiek van de eurosceptici dat je als Nederlander of Fransman of Deen minder te zeggen gaat hebben van zodra er meer Europa zal zijn. Hebben de eurosceptici daar geen gelijk?

Ik denk van wel. Er is een schrijnend gebrek aan zeggenschap van de Europese burger zelf. We stemmen weliswaar met zijn allen voor het Europees Parlement. Maar dat zijn tot hiertoe verkapte nationale verkiezingen. Met een Parlement dat geen initiatieven kan nemen. Een Parlement dat geen regering kan steunen of neerhalen. Het kan zelfs geen politieke meerderheid op de been brengen of er omgekeerd oppositie tegen voeren. Bovendien heeft het geen enkele zeggingskracht over de inkomsten van de Unie. Een fundamentele tekortkoming. Want de burger kan niet beslissen over welk beleid hij uiteindelijk krijgt, wat er met zijn geld uiteindelijk gebeurt. Het zijn de lidstaten die de vinger op de knip houden.

Dezelfde kritiek geldt voor de Europese Commissie. Het is een allegaartje aan benoemingen door de lidstaten geworden. De politieke samenstelling is eerder door het lot bepaald dan door de kiezer. Om nog niet te spreken over de omvang ervan, maar daarover had ik het hierboven al.

En dat is ook het geval voor de Europese Raad. De 28 regeringsleiders die elke beslissing van Commissie en Parlement nog eens herkauwen. Niet met het belang van de Europese burgers voor ogen maar met de eigen electorale agenda in het achterhoofd. Het is alsof men in de Verenigde Staten elke beslissing van het Congres of de President zou moeten voorleggen aan de vijftig gouverneurs en men aan ieder van hen een vetorecht zou toekennen.

Beeld u zich even in wat dat zou geven voor bijvoorbeeld het Amerikaanse migratiebeleid. Ik neem hier niet toevallig het beleidsdomein dat het kruispunt is tussen cultuur en economie. Het zou willen zeggen dat elke gouverneurs een initiatief als de DREAM Act zou kunnen torpederen. De DREAM Act die net kansen wil geven aan migranten, aan iedereen die wil bijdragen aan de Amerikaanse samenleving, aan iedereen die wil bouwen aan de Amerikaanse Droom.
Dat is waar wij blijkbaar in Europa niet toe kunnen komen. Wij kunnen geen Europese DREAM Act maken zonder dat deze strandt in het oeverloze overleg van de 28 lidstaten. Terwijl we nochtans wel dringend nood hebben aan Europees antwoord op de grote migratievragen. Wat doen we met jong, buitenlands talent dat wil bijdragen aan onze samenleving? Wat doen we met de vluchtelingen uit Syrië? Uit Afrika? Wat met de mensen die aanspoelen op Lampedusa? Gaan we dat werkelijk uit de weg gaan? Gaan we dat werkelijk lidstaat per lidstaat bekijken? In een Europa dat ondertussen al meer dan twintig jaar geen interne grenzen meer kent? Dat is onmogelijk. Dat is niet alleen de migranten aan willekeur onderwerpen, maar ook onszelf. Wij Europeanen moeten dringend ons lot in eigen handen nemen. Dat is mijn imperatief. We moeten sterke Europese instituties uitbouwen. Enkel zo kunnen we opnieuw vertrouwen scheppen in Europa en haar ons continent uit de crisis loodsen.

Want ik pleit niet voor institutionele hervormingen omdat ze een doel op zich zijn. Ik bepleit ze omdat ze essentieel zijn voor onze welvaart en ons welzijn. Daron Acemoglu en James Robinson hebben in hun boek 'Why Nations Fail. The Origins of Power, Prosperity and Poverty" - een boek dat mijns inziens de test van de tijd zal doorstaan - helder aangetoond hoe sterke instellingen noodzakelijk zijn om economische groei te genereren. Niet zozeer het dagelijks bestuur van een land of de korte termijn politiek zijn van belang, maar de duurzame verankering van democratische instituties en instellingen.

'Why Nations fail' start met het verhaal van de stad Nogales, gelegen pal op de grens tussen Mexico en de Verenigde Staten. Een hek verdeelt de stad in een noordelijk, Amerikaans deel en een zuidelijk, Mexicaans. In beide delen van de stad wonen mensen van dezelfde etnie. Voor beide stadsdelen schijnt dezelfde zon en ook bodem- en ziektetypes trekken zich weinig aan van het hek dat er gezet is. Toch is het Amerikaanse deel van de stad welvarend en gezond. Het zuidelijke deel is dat veel minder, en geen klein beetje. Op alle vlakken doet het zuidelijke deel het slechter, ofschoon er dezelfde mensen wonen als in het noorden. Het verschil in ontwikkeling tussen de twee wordt enkel verklaard door het gebrek aan sterke economische en democratische instellingen in het zuiden en de aanwezigheid ervan in het noorden.

Dat is inzet waarover ik spreek. Dat is de keuze waar we ook voorstaan in Europa. Willen we werken aan sterke Europese instellingen die efficiënt werken? Die het vertrouwen van de burgers en ondernemers genieten zodat er welvaart wordt gecreëerd? Zodat we niet alleen topscholen hebben en dito universiteiten, maar ook uitstekende gezondheidszorg, innovatieve bedrijven en ga zo maar door. Dat staat er op het spel. Niet meer, maar zeker ook niet minder. Willen wij het Noord of Zuid Nogales worden?

 
Europa bezit die vrije, creatieve ruimte wel. Of zou ze in ieder geval kunnen bezitten. Zowel economisch als cultureel
Mark Rutte met voorzitter van de Europese Commissie Manuel Barroso Beeld afp
 
Er zijn geen onoverbrugbare verschillen tussen de Italiaanse welvaartstaat en de Zweedse. Om het cru te stellen: beide varianten zijn uit de koker van dezelfde Duitser gekomen: Otto von Bismarck

Dames en heren,
Ik wil besluiten met u mijn ongezouten opinie te geven over wat me het meest stoort in de Europese politiek van vandaag en dat is het struisvogelgedrag van de nationale elites. Achter gesloten deuren erkent iedereen dat een beslissende en verregaande integratie van Europa de enige weg is om ons uit de crisis te loodsen. Meer nog, om nog een rol van betekenis te spelen in de wereld van morgen. Maar wanneer het er op aankomt deze stelling te verdedigen, is er niemand meer in velden of wegen te bespeuren. Uit angst, angst om de zogenaamde publieke opinie tegen de haren in te strijken. Terwijl het net de taak van politici is om een publieke opinie te creëren, een publieke opinie vorm te geven door visie te ontwikkelen, een perspectief op de toekomst gestalte te geven. Goede politici zijn geen volgers, maar voorlopers.

Nog niet zo heel lang geleden kende het euro-optimisme geen grenzen. Er was een massale consensus vóór de uitbreiding van de Unie. Vóór de euro ook. Het pro-Europeanisme kon niet op. Europa stond helemaal niet ter discussie. Vandaag zouden de meesten de Unie willen laten vallen als een baksteen, al was het een te hete aardappel die hen werd toegeschoven. Alsof het iets is waar ze nooit iets mee te maken hebben gehad. Terwijl de Europese Unie ons meer dan zestig jaar vrede en welvaart heeft gebracht.

Vandaag zeggen dat we terug moeten kruipen achter de grenzen van de natiestaten, is het wegschoppen van de ladder waarlangs we zijn opgeklommen. Het is vaandelvlucht. Het is onze verdomde plicht naar de komende generaties.

Ik dank u.

Guy Verhofstadt is leider van de liberalen in het Europees Parlement en ex-premier van België.

De Van der Leeuwlezing is een initiatief van de stad, de provincie en de Rijksuniversiteit Groningen, de Hanzehogeschool, de Stichting Martinikerk Groningen en de Volkskrant.

 
Achter gesloten deuren erkent iedereen dat een beslissende en verregaande integratie van Europa de enige weg is om ons uit de crisis te loodsen
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden