EssayRepresentatie in de kunst

Gun gehandicapte mensen ook vrijheid van spelen

Het is hoog tijd dat acteurs en makers met een beperking zichtbaarder worden in theater en film, vindt Anaïs van Ertvelde. In alle ­soorten rollen. 

Beeld Jon Krause

‘Zo’n Ramsey Nasr, die tijdens de voorstelling over het podium hinkt, kan dat eigenlijk nog?’, vraagt een bevriend schrijver me. ‘Ik zag Een klein leven van Toneelgroep Amsterdam en voelde me er wat ongemakkelijk bij. Zeker toen er ook nog een rolstoel aan te pas kwam. Is dat niet een soort van blackface, maar dan met handicaps?’

Cripping up, zo wordt in de VS het fenomeen genoemd waarbij valide acteurs rollen vertolken waarbij ze met behulp van special effects, grime of een trekkend beentje handicaps proberen te vertolken. Het gebeurt meestal voor de zware rollen die gezien worden als een lakmoesproef voor doorleefd acteurschap. Van Daniel Day-Lewis die alleen zijn linkervoet kan bewegen in My Left Foot tot Eddie Redmayne als Stephen Hawking in The Theory of Everything. Als je als valide acteur genomineerd bent voor een Oscar voor een rol van iemand met een handicap of chronische ziekte, dan heb je zo’n 50 procent kans om met het begeerde beeldje naar huis te gaan. En dat beginnen heel wat gehandicapte mensen steeds zuurder te vinden. Zeker zolang er nauwelijks acteurs met een beperking aan het werk zijn.

Het leverde in de VS al verhitte discussies op. Bryan Cranston – bekend als Walter White uit de misdaadserie Breaking Bad – kreeg de wind van voren voor zijn rol in de Amerikaanse remake van het Franse drama Intouchables. Waar de originele Franse acteur die het verlamde hoofdpersonage in 2011 vertolkte nog louter lof ontving, werd de casting van Cranston een paar jaar later controversieel genoemd. ‘Waarom mochten capabele acteurs in een rolstoel geen auditie doen voor de rol?’, vroegen Amerikaanse vakverenigingen voor acteurs met een beperking. ‘Het is de wezenlijke taak van een acteur om iemand anders dan zichzelf te kunnen spelen’, beet Cranston van zich af. 

Ook een Belgisch toneelgezelschap kwam onlangs in de problemen op een Brits festival vanwege een personage in een rolstoel. Het leek een heuse cultuurclash. De Britten vonden het de normaalste zaak van de wereld dat een dergelijke rol voor een rolstoelende actrice is weggelegd. De betrokken Belgen schrokken erg van de kritiek. Daar hadden ze nooit eerder bij stilgestaan. Ze kenden geen actrice in een rolstoel. Het Britse theaterlandschap ziet er dan ook heel anders uit: er werd het voorbije decennium al ingezet op het – financieel – ondersteunen van makers en performers met een beperking. Hoewel het theaterfestival en de originele cast een compromis uitdokterden, kropen gerenommeerde namen uit de Belgische theaterwereld in de pen om te veroordelen wat zij als een aanval op de vrijheid van spelen ervoeren.

Ook in Nederland beginnen mensen zich af te vragen: is het nog wel van deze tijd dat acteurs zonder een beperking doen alsof ze er eentje hebben? Of storten we ons daarmee onnadenkend in een nieuwe culturele beperking?

Nu ben ik zelf in de coulissen van het theater opgegroeid. Wanneer mijn ouders repetitie hadden, speelde ik op schoolvrije dagen tussen het pluche en velours. Vanuit de coulissen had ik een uitstekend uitzicht op wie er op het podium stond. Mensen met een lichaam als het mijne waren nergens te bespeuren.

Wanneer ik daarover praat met de makers en spelers met wie ik opgroeide, merk ik dat ze dat een ongemakkelijk gesprek vinden. Ze werpen vaak dezelfde drie bezwaren op. Voor hun eerste bezorgdheid heb ik begrip. Ze vrezen de detheatralisering van het theater. Mag je straks als acteur alleen nog jezelf representeren en niet meer acteren? Is dit geen hellend vlak? Kun je volgens deze logica nog iemand spelen die kanker heeft? Iemand die seksueel misbruik meemaakte? Alles wat vroeger een ervaring was, is nu een identiteitscategorie aan het worden, klinkt het.

Goede acteurs en makers met een beperking zijn meer dan welkom, maar er zijn er niet zo veel, is een tweede tegenwerping. De hele maatschappij is gesegregeerd. Dat is een jammere zaak maar is het aan de kunsten om dat op te lossen? Die hebben het al druk met zichzelf redden.

En dan de meest gehoorde tegenwerping: vrijheid is voor de kunstenaar het grootste goed. Creatieve grenzen worden het best zo min mogelijk beperkt. Dat klinkt aannemelijk, ook voor mij, maar de manier waarop vrijheid hier wordt ingezet is een tikje oneerlijk. Het is een louter negatieve invulling ervan. Eentje waarbij het gaat om het zo min mogelijk belemmerd worden in je doen en laten. Niet om een positieve invulling waarbij voor zo veel mogelijk mensen vrijheid tot handelen gerealiseerd wordt. Mensen met een beperking zijn in nu in hun vrijheden beperkt. Waar het Britse theaterlandschap voor valide makers misschien verstikkend lijkt, vinden gehandicapte acteurs juist dat wat hier beknot wordt, daar tot bloei komt. Wat ik merk is dat we het veel makkelijker vinden om tegen de beperking van die negatieve vrijheid in verzet te komen. Misschien omdat de beperking van positieve vrijheid een stuk ingewikkelder is om op te lossen.

Vandaar dat Nederlandse activisten als Xandra Koster voor stevige maatregelen pleiten. Geen rolstoel, geen rol, zegt ze. De geschiedenis van socio-artistiek verzet laat zien dat verandering er alleen komt door flink tegen de schenen van het establishment te schoppen. Zo zien we met series als Pose en films als Una Mujer Fantastica de laatste jaren een veel complexere representatie van transgender personen. Tot ver in de jaren tweeduizend werden zij nog hoofdzakelijk afgebeeld als psychisch gestoorde predatoren of als het mikpunt van gewelddadige grappen. Een evolutie kwam er pas nadat transgender acteurs zich hard hadden gemaakt voor rollen geschreven en gespeeld door transgender personen. 

De Academy, de organisatie achter de Oscars, kondigde vorige week aan dat de genomineerden in de categorie ‘Beste Film’ vanaf 2024 aan enkele diversiteitsstandaarden moeten voldoen. Zowel voor als achter de schermen zou er op deze manier meer ruimte voor minderheidsgroepen komen – waaronder personen met een beperking. Nu wordt de Academie al vele jaren aangesproken op een gebrek aan diversiteit – de jury zelf was tot voor kort voor 94 procent wit en voor 77 procent man. In het verleden werd dat meestal ontkend of was het diversiteitsbeleid een dun laagje vernis: er werden enkele presentatoren van kleur opgetrommeld om beeldjes aan witte genomineerden te overhandigen. Pas toen de hashtag #OscarsSoWhite een wereldwijd Twitterfenomeen werd, ging de bal rollen. Dankzij de luide activistische campagne werd er structureel ingegrepen.

Het verzoek om personages met een beperking niet te laten spelen door acteurs zonder beperking leunt op een aantal argumenten. Soms wordt het idee naar voren geschoven als een gedwongen ingreep – haast vergelijkbaar met quota – om de ongelijke verdeling van rollen recht te trekken. Soms beargumenteren activisten dat zo’n beperking in de eerste plaats een morele zaak is. Door historische machtsongelijkheden is het onwenselijk dat wie meer macht heeft, spreekt in naam van iemand die minder macht heeft. Sommigen gebruiken artistieke argumenten: mensen zonder beperking slagen er niet in mensen met een beperking goed te vertolken.

Die drie argumenten vallen perfect samen met de grootste frustraties die mensen met een beperking hebben over hun representatie in het algemeen. Om te beginnen is er het reële gebrek aan mogelijkheden. Onderzoek wijst uit dat professionele acteurs met een beperking in Vlaanderen aanzienlijk minder kansen krijgen. Grote struikelblokken zijn de toneelschool, vooringenomen regisseurs en het castingproces. Er worden ook disproportioneel weinig scenario’s geschreven waarin gehandicapte personages voorkomen. Zo’n 15 procent van de bevolking heeft een beperking, maar dat zien we niet weerspiegeld op onze schermen en podia.

De situatie is bovendien complexer. Veel acteurs met een beperking zeggen dat ze het net zo vervelend vinden om alleen gevraagd te worden voor gehandicapte rollen. Ze ijveren voor een dubbele beweging: rollen met een beperking kunnen het best naar een beperkt acteur gaan, tegelijkertijd moeten acteurs met een beperking  ook in overweging genomen worden voor personages die niet gehandicapt zijn. Desdemona en Freule Julie kunnen evengoed een prothese hebben. Bovendien schort er wat aan de kwaliteit van de gehandicapte rollen die er zijn. Ze zijn vaak stereotiep en zetten acteurs met een beperking daarom steeds voor een dilemma: speel ik een cliché? Of blijf ik werkloos?

Daarnaast is er een lange voorgeschiedenis waarbij mensen met een handicap tentoongesteld worden. Ze worden altijd bekeken en mogen zelden terugkijken. Dat is in het dagelijks leven zo, en op de bühne. Onderzoekers in disability studies hebben de kaders bestudeerd waarbinnen we mensen met handicaps bekijken. Ze kwamen tot de conclusie dat die veelal op dezelfde manier voorgesteld worden. Zo verbeelden mensen met een beperking tragiek en lijden. We kijken naar hen met een sentimentele bril waardoor we zien als schattig en onschuldig, of wonderlijk: als speciale mensen die uitzonderlijke daden verzetten. 

Het is een vicieuze cirkel. Veel mensen hebben nauwelijks diepgaande relaties met mensen met een beperking. Ze leunen op kunst en tv om mensen met een beperking te zien en te snappen. Maar wat er over gehandicapten verteld wordt, is meestal gemaakt zonder hun inbreng. De vraag moet misschien niet zijn: mag je wel iemand met een beperking spelen? Maar: wat voor gevolgen heeft het dat mensen met een beperking in Nederland zo ontzettend weinig mogelijkheden hebben om te creëren? Het levert voor mij en mijn gehandicapte vrienden een bevreemdende ervaring op. Er gaapt een diepe kloof tussen de manier waarop de rest van de wereld naar ons kijkt en hoe we onszelf begrijpen.

‘Ga je dan naar voorstellingen met handicapte personages?’ vraagt een actrice met wie ik in een discussie verzeild raak. ‘Nee, de laatste jaren eigenlijk niet’, moet ik bekennen. Omdat ik slecht theater verwacht. De derde frustratie is dan ook de lage kwaliteit van veel valide vertolkingen. Mensen met een beperking zien daar meestal iets wat anderen missen. Het houterige gerol met de rolstoel, het blind rondstommelen in het decor. Specifieke lichamen brengen hun eigen tools en ervaringen mee. 

Zou Tyrion uit Game of Thrones een even iconisch personage geworden zijn als hij niet gespeeld werd door de charismatische Peter Dinklage, maar door een valide acteur op z’n knieën? Het levert een enorm artistiek verlies op dat we de acteurs die met die specifieke lichamen en ervaringen niet inzetten. Ik denk aan de Britse actrice Jess Thom, die tourette heeft. Hoe zij de monoloog Not I van Beckett speelt, volop gebruikmakend van al haar verbale en lichamelijke tics, brengt lagen van betekenis naar boven die ik nooit eerder in die tekst had gezien. Of aan de Italiaanse danseres Chiara Bersani. Wanneer ze haar eigen choreografieën danst, zet ze haar gehandicapte lichaam in om de dynamiek tussen tussen wie kijkt en wie bekeken wordt volledig op z’n kop te zetten. 

Je zou verwachten dat de kunstwereld staat te springen om dit creatieve potentieel een platform te bieden. Laten we dus niet in termen van nieuwe culturele beperkingen denken, maar in termen van nieuwe culturele openingen. De situatie in het buitenland laat zien dat dat, mits er sprake is van een bewustzijnsverruiming van valide makers, toegankelijke werkplekken en financiële steun, goed mogelijk is. The New York Times sprak onlangs van een artistieke disability revolution die zich de laatste jaren ontvouwt. Zo won de rolstoelende musicalactrice Ali Stroker een Tony voor haar spetterende rol in Oklahoma. Ryan O’ Connell, die Cerebrale Parese (CP) heeft, sleepte vier Emmy-nominaties in de wacht voor zijn Netflix-serie Special

In een wereld waarin acteurs en makers met een beperking volop rollen krijgen en hun eigen verhalen kunnen vertellen, is er nog weinig nood aan culturele beperkingen op wie welke rol mag spelen. Wie wakker ligt van de vrijheid van spel van valide acteurs, heeft dus eigenlijk maar één optie: zich keihard maken voor de vrijheid van spel van acteurs met een beperking.

Anaïs Van Ertvelde is historicus en auteur. In de podcast Vuile lakens verkent ze samen met schrijver Heleen Debruyne de geschiedenis van lichaam en seksualiteit. Ze werkt momenteel voor de Bezige Bij aan een boek over handicap en validisme.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden