Column Arthur van Amerongen

Grappen zijn mijn enige wapen en tevens mijn achilleshiel

Sylvia Witteman twitterde naar aanleiding van mijn vorige Volkskrant-cursiefje, dat de titel Jihadsnol droeg: ‘Er zit geenéén grap in je stukkie! Je wordt toch geen relevante columnist of zo?’

Woorden doen wél pijn, want als iemand zegt of schrijft dat ik niet grappig ben, sterf ik duizend doden. 

Ik vind het bijzonder kwetsend wanneer mensen over mijn kaalheid, vetzucht, drank- en drugsperikelen en mijn moeder beginnen, maar als iemand mijn columns leest zonder een lachspier te vertrekken, wil ik echt dood.  Grappen zijn mijn enige wapen en tevens mijn achilleshiel.

Ik ben niet met de lach aan mijn kont geboren. Sterker nog: ik bracht mijn kinderjaren grotendeels huilend door. Enerzijds om aandacht te trekken, anderzijds omdat mij verteld was dat ik naar de hel ging.

Ook op het schoolplein stond ik altijd te grienen, want de grote jongens terroriseerden mij vanwege mijn rode haar, sproeten, dwergpostuur en mijn gekke mamma.  Niemand wilde met mij zoenen, laat staan mij even lekker aftrekken (behalve dan oude kerels in de bosjes, in ruil voor een zak snoep).

Toen ben ik maar moppen gaan tappen. Ik verzamelde ze bij boekhandel Dragt in Ede, want daar lagen de verzamelde werken van Max Tailleur. Zijn witzen leerde ik uit mijn hoofd en die vertelde ik in het speelkwartier aan de nazikutkinderen. Die lagen in een deuk, dus werd ik eventjes niet in elkaar geslagen.

Ik luisterde dagelijks naar de Geinlijn. Het nummer ken ik nog steeds uit mijn hoofd: 020-211811. Voor 20 cent per minuut kon je de mop van de dag beluisteren. De beller werd steevast in de wacht gezet en hoorde dan die krassende stem van Tailleur: ‘Er is nog één geinponem voor u.’ De telefoonrekeningen zorgden voor de zoveelste crisis in huize Van Amerongen, maar dankzij Max’ mopjes overleefde ik alles.

Helaas was ik net niet misvormd genoeg om cabaretier te worden. Toen ging ik maar Semitische talen studeren, om uiteindelijk te promoveren op humor in de Koran. 

Tijdens het tikken van Jihadsnol moest ik onafgebroken bulderen van het lachen. Mijn honden vluchtten de zoutmijnen in, de verloofde ging een pakje sigaretten kopen om nooit weerom te komen. 

Ik bedacht meteen twee nieuwe grappen. Terwijl mijn honden de salinas onderscheten, verzon ik dat ik die rommel als zongedroogd Himalayaans antikankerzout ging verkopen aan Tena-gerechtigde expats. De andere mop was dat ik eindelijk met roken ging stoppen. 

Schuddebuikend dacht ik aan de lijfspreuk van Tailleur: ik lach om niet te huilen. 

Beeld Gabriël Kousbroek

.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden