God is een man van weinig woorden en veel slaap

Ik zat in een taxi en God was mijn chauffeur. God was groot, zowel in de lengte als in de breedte. En God had een snor. We reden door de periferie van Zuid-India - of nee, we stuiterden en slingerden amechtig toeterend door een omgeving die op indrukwekkende wijze voldeed aan allerlei clichés: zwermen riksja's , tempels, Gandhi-achtige mannetjes met takkenbossen op hun rug, de overrompelende stank van al wat leeft en natuurlijk koeien, schonkig doch heilig, een plastic zak herkauwend in de luwte tussen twee verkeersdrempels.

De verkeerssituatie was zodanig dat ik er regelmatig verwrongen van moest grimassen. Eén keer zette ik het op een krijsen. We verpletterden op een haar na een kokosnotenverkoper, waarbij de pauwenveren die God zorgvuldig over het dashboard had gedrapeerd feestelijk door de auto fladderden. 'Fucking hell', krijste ik. Waarop God grijnsde en sprak: 'No problem, ma'am.' Ik bofte maar met God.

God heet eigenlijk Prabhu. Maar dat betekent dus God in het Sanskriet. God is een man van weinig woorden en veel slaap. Zodra wij uitstapten, legde God zijn bestuurdersstoel plat, knoopte zijn overhemd open en sloot zijn ogen.

Toen begin deze maand elders in India een meisje werd verkracht door een chauffeur van prijsvechter Uber, bedacht ik dat taxichauffeurs eigenlijk altijd en overal ter wereld garant staan voor gedoe: ze staken, zetten je af of slaan elkaar de hersens in. Gezien de frustrerend dienstbare aard van hun werk, heb ik daar best begrip voor.

God is een uitzondering. Hij lijkt volledig met zichzelf en de wereld tevreden. Hij staat boven luimen en grillen van zijn klanten. Als mijn Indiase fotograaf God ergens tussen de desolate rijstvelden toebrieste dat hij stante pede een fles mineraalwater wilde hebben, was dat 'No problem.' En als ik dan uit politieke correcte compensatiedrang per se zelf mijn tassen wilde tillen, liet God ook mij mijn gang gaan, al keek hij me aan alsof ik een gek was en dan ook nog eens een volkomen ongevaarlijke.

God was goeiig, maar zonder een spoor van onderdanigheid. Een keer bood ik God een sigaret aan. Hij schudde nee. Gelukkig. Blijkbaar schuilt er genoeg calvinist in mij om het een storend idee te vinden dat Hij zou gaan zitten paffen.

En toch zat me iets dwars: dat God alleen was zoals hij was zolang we hem betaalden. Zolang hij wist dat de smoezelige biljetten van duizend roepie, die nu opgerold in mijn beha lagen te jeuken, straks in de zak van zijn overhemd zouden eindigen.

Ik bedacht dat dit precies het mechanisme is waar communistische partijen overal ter wereld al anderhalve eeuw aan onderdoor gaan. Geef de armen net genoeg geld om zich niet arm te voelen en je kunt fluiten naar je revolutie. Starend naar Gods pretoogjes in de achteruitkijkspiegel, vroeg ik me af hoe erg dat was.

Ik wilde het God vragen, maar ik deed het niet. Ik wist toch al wat hij zou antwoorden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden