Column Chris Oostdam

Gewoon weer aan het werk? De dokter denkt dat de reservetijd beter besteed kan worden

Voorafgaand aan mijn zesde kuur heb ik weer een gesprek met mijn arts. Opgewekt vertel ik hoe goed het met me gaat, zelfs zo goed dat ik erover denk om na de zomer weer deels aan het werk te gaan. Waar ik me vooral zorgen over maak, zo vertel ik, is hoe te voorkomen dat mijn prachtige, maar veeleisende werk weer zo veel van mijn energie opslurpt dat ik ’s avonds en in het weekend niet veel meer over heb voor andere zaken. Ik geef het voorbeeld van een klusje in de tuin. Dan neem ik me voor maximaal twee uur bezig te zijn. Maar dat worden er dan toch al snel weer drie en dan moet ik nog opruimen. Ik blijf dat moeilijk vinden. En ik weet dat dat voor mij een valkuil is als ik weer aan het werk ga.

Ze hoort het allemaal rustig aan.

‘Ik weet niet of ik het wel zo’n goed idee vindt dat je weer gaat werken’, zegt ze dan. ‘Je bent ziek. Het gaat nu wel heel goed met je, en ik hoop dat het nog heel lang goed met je blijft gaan. Maar je blijft ziek. De kanker gaat niet meer weg. Negen maanden. Alles wat het meer is, is reservetijd. In de tijd die je nog hebt, moet je zo veel mogelijk van het leven genieten.’

Ze kijkt me aan.

‘Ik ken je nu een beetje en ik ben bang dat je werk dan toch weer de hoofdrol gaat opeisen. Ik denk dat je dat zelf ook wel weet. Ga de dingen doen die echt belangrijk voor je zijn, zo lang het nog kan. Werk aan je conditie. Ga een vreemde taal leren als je intellectuele uitdaging mist. Wij doen erg ons best om de ziekte zo goed mogelijk en zo lang mogelijk te bestrijden. Dan moet je niet aan de andere kant roofbouw op jezelf gaan plegen door weer te gaan werken.’

Het komt hard aan.

‘Nu heb je me toch weer aan het janken gekregen’, zeg ik.

‘Ik wil je niet verdrietig maken’, zegt ze, ‘maar ik wil dat je er heel erg goed over nadenkt.’

‘Het geeft niet’, zeg ik, ‘het is goed dat je me met de neus op de feiten drukt.’

Ik realiseer me dat de wrange werkelijkheid bij mij en ook bij Ronald een beetje op de achtergrond is geraakt omdat ik zo goed reageer op de therapie. We doen alsof ik dan misschien wel een heel vervelende ziekte heb, maar dat ik daar toch gewoon 91 jaar oud mee kan worden, dat we nog jaren te gaan hebben samen. En dat is dus niet zo. Negen maanden, de rest is een cadeautje.

In de dagen en weken erna word ik met enige regelmaat overvallen door een diep verdriet. Het lijkt wel of ik nu meer besef hoe ernstig de situatie is dan in februari, toen ik het net hoorde. Alsof het nu pas echt goed doordringt.

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.